Pieter Boot, PBL: 2030 is tussenstation, geen eindstation

Afgelopen vrijdag presenteerde Pieter Boot, Sectorhoofd Klimaat, Lucht en Energie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de analyse van de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord. Hij waarschuwt in dit interview voor de NVDE-nieuwsbrief dat we in onze oren moeten knopen dat 2030 geen eindstation is. “Die boodschap zal de komende weken waarschijnlijk minder aandacht krijgen dan de beleidsinstrumenten voor 2030. Terwijl hij net zo belangrijk is.” En emissiereductie in het transport lukt niet zonder stevig Europees beleid. Een open gesprek met de rekenmeester van het Klimaatakkoord.

Wat bent u tegengekomen toen u het voorstel voor de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord moest analyseren?
“Samenvattend kwamen we vooral een groot verschil tegen tussen de ambities, die wij als streefwaarden benoemd hebben, en de beleidsinstrumenten die hiertoe moeten leiden. Er is nog te weinig aandacht voor instrumenten, al zijn er grote verschillen per tafel. Dat is overigens begrijpelijk, omdat in de zomer nog niet sprake kon zijn van een volledig akkoord.”

Was het concreet genoeg?
“Afgezien van het thema mobiliteit, waren de streefwaarden concreet genoeg. We hebben de informatie wel bij elkaar moeten rapen. Soms moesten we navragen bij het secretariaat van de tafel of het goed is als we het zo zouden opvatten. Dan stond het er zo vaag. In onze analyse hebben we dat uiteraard expliciet aangegeven. We hebben ze geholpen met deze verduidelijkingsslag! Maar er is nog geen begin van duidelijkheid voor een echte doorrekening.”

Hadden de tafels het beter moeten doen in het noemen van beleidsinstrumenten, of is dat aan het kabinet?
“Het kabinet kan het niet alleen. De tafels hebben het zichzelf ook niet altijd makkelijk gemaakt. De elektriciteitstafel bijvoorbeeld, maakte vier varianten van een CO2-prijs, in plaats van af te gaan op die ene variant die al in het regeerakkoord stond. Kennelijk is een omweg soms nodig vanwege verschillende belangen. Alles bij elkaar is het logisch om eerst naar het ‘wat’ te kijken, en dan pas naar het ‘hoe’. Hooguit hadden ze na twee maanden verkennen kunnen stoppen en de laatste maand verder kunnen gaan met de instrumenten. Maar de tijd was kort, het had denk ik niet heel anders gekund.”

Wat zijn volgens u de twee belangrijkste uitdagingen waar de onderhandelaars van het Klimaatakkoord voor staan?
“Het moet nu concreet gemaakt worden en daar is heel weinig tijd voor. En ten tweede moeten burgers betrokken worden. Nieuwsuur vorige week vrijdag zoomde terecht in op hoe lastig het is om dit samen met burgers te doen. Ook al krijg je het met negentig procent van de mensen op orde, dan nog gaat alle aandacht naar de tien procent die zeggen dat het niet kan. Dat maakt het een lastige klus.”

Heeft u een suggestie?
“Gemeenten die aan de slag gaan met aardgasvrije wijken, zouden goed contact met elkaar moeten houden. Als het in de eerste vijf wijken goed gaat, concludeert men: ‘he, dit kan kennelijk!’. En als het in de eerste vijf fout gaat ontstaat het beeld dat het een probleem is. De toon is dan gezet. Je ziet het ook bij de aanwijzing van windmolenparken. Het gaat steeds over dat ene problematische veld tussen Groningen en Drenthe. Dat andere goed gaan, daar hoor je niemand over.”

Dus de gemeentes moeten ook nog onderling samenwerken. Dat maakt het nog uitdagender.
“Ja. VNG is het niet zo vreselijk gewend om haar leden te coördineren. Maar ze gaan het proberen.”

Heeft u er vertrouwen in dat er een Klimaatakkoord komt dat aan de doelstelling voldoet?
“Ja… Alles wat ik erover zeg is fout, dus dat doe ik niet. Er is geen enkel land om ons heen dat bij de ambitie voor 2030 al zo ver is, hooguit afgezien van Denemarken. Iedereen worstelt ermee. Als wij het doen, hebben we echt iets gedaan dat de anderen nog niet doen. Het is lastig en de tijd is kort. De regering wil het heel graag. En bij het Energieakkoord is het ook gelukt. Ik ben vol goede moed.”

Hoe sturend is de rol van het PBL in het tot stand brengen van het Klimaatakkoord? Sybrand Buma vertelde me bijvoorbeeld kort na het regeerakkoord dat de rekenmeesters grote invloed hebben op de indicatieve tabel.
“Goede vraag, wij hebben dat scherp op het vizier. Ik denk niet dat wij heel sturend zijn. Onze invloed is zo groot als de partijen het beste uitkomt. Het is niet waar dat ze niks aan die tabel hadden kunnen doen, maar ze vonden zelf dat het goed uitkwam zo. Anders zou er onderling debat over de cijfers zijn. Wij zeggen nooit: ‘dit is de laatste waarheid’. Wij merken dat het belang van ons werk toeneemt en hebben daarom onze werkwijze aangescherpt. We hebben onze analyse nu aan meer hoogleraren voorgelegd en hun oordeel ook gepubliceerd. En we vroegen vijf betrokken consultants om onze analyse te bezien en in één geval met hun model na te rekenen. Als daar dezelfde lijn uitkomt, zijn we op de goede weg. We zorgen ook voor gesprek met de markt. Bij de industrie is onze cijferbasis het zwakst. Als tien bedrijven voor de helft van de emissies zorgen, moet je elk van hen kennen. Dat kan alleen als ook zij dat willen. Daar zijn we nu samen mee bezig”

Is het lastig dat de politiek vaak zwart-witte conclusies trekt?
“We zoeken steeds naar methoden om er goed mee om te gaan. In de NEV benoemen we de bandbreedte expliciet. En dan nog doet niemand er iets mee. Daar hadden we nu minder tijd voor. Misschien moeten we soms alleen de bandbreedte gaan noemen en geen vast cijfer meer.”

Hoe gaat het met het zoeken van interactie met markt en stakeholders?
“Twee weken geleden hadden we nog een grote bijeenkomst met dertig stakeholders, consultants, industrie, Gasunie, Tennet, VNG en IPO. We gaan in overleg met hen de modellen verbeteren. Ze zijn prima, maar we kunnen beter communiceren over onze uitkomsten en waarom die anders zijn dan het voorgaande jaar. Ook kan iedereen meedenken of de modellen de ‘vragen van overmorgen’ aankunnen. We vormen daar bijvoorbeeld deelgroepjes voor en houden ze op de hoogte door een nieuwsbrief.”

Hoe moet het nieuwe Klimaatakkoord gemonitord worden?
“Dat is natuurlijk aan de akkoordpartners, maar wat mij betreft op twee manieren. Ten eerste gaan we door met hoe we dit bij het Energieakkoord doen. Met een borgingscommissie, werkafspraken en het aanleveren van nieuwe inzichten voor 1 mei. Het secretariaat van de SER gaat een voorstel doen. Ten tweede hebben we de Klimaatwet. Die heeft ook een bepaalde vorm van monitoring en rapportage, geijkt op hoe het in Europa werkt. Dat moet je in samenhang doen. Wat nog zoeken wordt is de monitoring van de regio’s. We krijgen er dertig. Dat is nieuw. Met CBS en Kadaster werken we uit hoe de regionale monitoring eruit zou kunnen zien. Het vereist dan bijvoorbeeld ook discipline om halverwege de regio-indeling niet meer te veranderen.”

Vindt u ook dat er in het Klimaatakkoord afspraken moeten worden gemaakt, waarmee het doel in het midden van de bandbreedte zit?
In plaats van aan de onderkant, waardoor we de frustratie van de komende jaren al inbouwen (zoals nu met Energieakkoord).
“Ook de milieubeweging stelt die vraag. In het milieubeleid van zeg vijftien jaar geleden was er altijd een reservepakket. Men vertrouwde nooit volledig op de goede uitkomst van maatregelen. We zijn die traditie weer vergeten. Ik snap wel dat partijen eraan herinneren. Het is nu nog geen gelopen race om die 49 procent te onderbouwen met beleidsmaatregelen. Als je nu ook alvast maatregelen wilt bedenken voor als we aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen, dan ben je wel opgaven aan het opstapelen. De politiek zou een expliciete keuze moeten maken in de mate van onzekerheid die ze acceptabel vindt. Zo gaat het ook in het mondiale klimaatbeleid. Wij kunnen het allemaal uitrekenen.”

Wat vindt u van de NVDE? Hoe kunnen we ons werk nog beter doen?
“Ik ken de NVDE vooral via een paar mensen. Ik ken uw voorzitter Teun Bokhoven, directeur Olof van der Gaag en Marc Londo, die eerst bij ECN zat. Dat zijn verstandige mensen. Ik vermoed dat ze nuttig werk doen . De goede mensen aannemen is heel belangrijk, en dat hebben jullie gedaan. Maar of er 10 of 20 mensen werken bij de NVDE, dat weet ik niet.”

Het PBL geeft een conceptadvies voor basisbedragen in subsidies. De NVDE doet een marktconsultatie. Hoe kunnen we zorgen dat vertrouwelijke praktijkcijfers makkelijker op te halen worden?
“Deze vraag speelt overal bij bedrijven. We verzamelen met de industrie cijfers over mogelijkheden om efficiënter met energie om te gaan. Daar vindt men dat ook eng. Ik vind het wel opmerkelijk dat het ene bedrijf het veel makkelijker vindt om informatie te delen dan het andere. De ene bierbrouwer is daar makkelijker in dan de andere. Laten we op basis van vertrouwen hieraan werken. Het land wordt welvarender als we elkaar vertrouwen. Natuurlijk regelen we het netjes, met standaardafspraken dat we die cijfers nooit doorsturen aan een ander. Wij hebben geen enkel belang om ermee te rotzooien.”

Hoe kan de NVDE het PBL helpen om de rol van scheidsrechter in de SDE goed te spelen?
“Ik heb dit gecheckt bij onze afdeling. Bedrijven geven wat makkelijker vertrouwen in rechtstreeks contact. Maar onze vragen worden via de NVDE sneller beantwoord. De NVDE coördineert en maakt een concept dat ze voorlegt aan haar leden. Daardoor krijgen wij op tijd input. Anders moeten we al die bedrijven nabellen. Het is goed om beide wegen te bewandelen.”

Hoe kan het PBL ervoor zorgen dat meer acties doorrekenbaar worden, zoals communicatiecampagnes of het toestaan van elektrische auto’s op busbanen?
“Het harde beleid, zoals wetten, prijzen en subsidies, is makkelijker doorrekenbaar. Maar ook een wet heeft geen honderd procent effect, want wordt die wel gehandhaafd? Zo’n voorbeeld als die busbanen helpt wel. We geven dan een expert judgement. Een pakket leidt vaak tot een positievere beoordeling dan een individuele maatregel. Wij zijn niet het enige land dat met deze issues bezig is. We raadplegen ook de internationale literatuur. Stel we lezen in gedragswetenschappelijk onderzoek dat die busbanen in Londen de helft schelen. Dan helpt dat ons om er een getal aan te koppelen. Het is ons werk om het bij te houden, maar als jullie iets tegenkomen, mag je ons erop attent maken. We bevorderen ook dat er gedragsonderzoek plaatsvindt. Als jullie een zinvolle vraag hebben, dan kunnen we contact met elkaar hebben en maken wij er werk van.”

Hoe draagt het PBL bij aan het ontzenuwen van de mythe dat Nederland harder loopt dan de landen om ons heen?
“Beide kanten kloppen. Als je naar de cijfers kijkt voor hernieuwbare energie en voor broeikasgasreductie, dan lopen we hartstikke achter. Tegelijk zijn onze ambities groot. Nederland, Frankrijk, Zweden en Portugal vormen een groep die sleurt aan Europees klimaatbeleid. Duitsland houdt gek genoeg tegenwoordig veel tegen. Het is een gemengd beeld. We moeten beide benoemen. Dit najaar komen we met een publicatie waarin we dieper ingaan op omringende landen. Elk land heeft zijn eigen problemen, en soms zit er gemeenschappelijkheid in. Emissiereductie in het transport stagneert nu overal. Als Europa daar niet harder loopt, krijgen we dat niet goed voor elkaar. Fietsenstallingen zijn nuttig, maar Europese normen voor emissies zijn belangrijker. Die hebben we extreem hard nodig. Daar is niet iedereen zich van bewust.
Je moet je niet voor de gek laten houden. Het Verenigd Koninkrijk is veruit het verst met emissiereducties, maar dat komt doordat ze één stap verder zijn met het sluiten van kolencentrales. Dat heeft een geweldig effect, maar is wel eenmalig. Als we dat binnen hebben, dan zitten we bij de gebouwde omgeving en het transport nog net zo lastig. Engeland worstelt daar ook mee.”

De verdelingseffecten van de transitie liggen onder een vergrootglas.
“Je kan binnen het energiedomein wat doen aan een gelijkere verdeling. Als je de belastingvrije voet in de energiebelasting groter maakt, dan help je mensen met een lager gebruik en dat zijn meestal de mensen met een lager inkomen. De tarieven voor grotere verbruikers gaan dan omhoog. Er zit een grens aan wat je hiermee kunt bereiken. De rest moet je in het algemene domein oplossen. Door de bijstand te verhogen of bejaarden een voordeel te geven. Dat is lastiger voor energiemensen om voor elkaar te krijgen. Er is toenemend politieke aandacht voor ongelijkheid. Voor partijen als de SP en PvdA weegt inkomensongelijkheid soms zwaarder dan klimaat. Ik vind het logisch dat er partijen zijn die dit aan het hart gaat. Andere partijen roepen erover, terwijl ze er in hun feitelijke voorstellen minder aandacht voor hebben. Dat is wat goedkoop.”

Hoe gaat het nu verder?
“De komende drie weken gaan die tafels weer aan de slag. Ze zullen sterk beïnvloed worden door waar het kabinet mee komt. Wij zeggen nu dat jullie op twee dingen goed moeten letten: er moeten beleidsinstrumenten komen voor 2030 en je moet 2030 niet als eindstation zien maar als tussenstation. Die tweede boodschap zal de komende weken waarschijnlijk minder aandacht krijgen, terwijl hij net zo belangrijk is.”

Anders werken we toe naar 2030 en zitten we daarna met de handen in het haar?
“Ja. Het aanleggen van infrastructuur duurt zo lang! Als je daar niet goed mee doorgaat, loop je vast.”