Position papers

Reactie t.b.v. consultatie Actualisatie Energiebesparingsplicht 28 mei 2026

Dank voor de mogelijkheid tot indienen van een reactie in de consultatie Actualisatie Energiebesparingsplicht.

Ecorys heeft becijferd dat de kosten voor het niet halen van de doelen voor hernieuwbare opwek en energiebesparing voor 2030 kunnen oplopen tot 2,6 miljard €. Het gaat hier om bindende doelen die in Europees verband zijn vastgelegd. Nederland is dus verplicht deze doelen te behalen. Als dat niet lukt, volgt er een inbreukprocedure van de Europese Commissie.
Het doel voor energiebesparing wordt volgens de KEV niet gehaald. Het besparingsdoel is 26,4%, terwijl Nederland in 2030 pas op 21,5% zit en in 2035 op 24,2%, waarmee het doel nog steeds niet behaald wordt. Dit gat is in 2030 gelijk aan 107 PJ en is in 2035 afgenomen tot 48 PJ. Het cumulatieve gat voor de periode 2030-2035 bedraagt 465 PJ.

Investeren in energiebesparingen en duurzame energie in eigen land versterkt onze energie-onafhankelijkheid, verlaagt de energierekening en legt het fundament onder een sterke, concurrerende economie. Nederland heeft alles in huis om deze doelen wél te halen.

De voorliggende actualisatie dient meerdere doelen, het moet leiden tot extra energiebesparing en CO2-reductie bij bedrijven, terwijl tegelijkertijd de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en regeldruk worden verbeterd, mede op basis van evaluaties van o.a. CE Delft en de Algemene Rekenkamer. Wat ons betreft slaagt de actualisatie hier aardig in. We hebben een aantal punten om mee te geven, hierbij ligt vooral een focus op energiebesparing en CO2-reductie, en op handhaafbaarheid.

Verstandig dat de doelgroep behouden blijft

De plicht blijft gelden voor bedrijven en instellingen boven de drempel van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas (equivalent), met een verplichting tot het nemen van rendabele maatregelen en een vierjaarlijkse rapportage aan het bevoegd gezag.

  • Wij zijn erg blij dat de doelgroep gehandhaafd blijft. De wens -en wettelijke noodzaak- om meer energie te besparen strookte niet met inperking van de doelgroep binnen de Energiebesparingsplicht. Het is andersom juist raadzaam dat meer bedrijven actief nadenken over hun energiegebruik, zodat meer energie wordt bespaard met voordelen in het oplossen van netcongestie, reduceren van emissies en verlagen van energiekosten voor de bedrijven zelf. Daarvoor zou eerder uitbreiding van de doelgroep logisch zijn.
  • Wij begrijpen de roep op vermindering van regeldruk m.b.t. ingeperkte onderzoeksplicht, ondanks dat dit geen voorstel van ons zou zijn. Omdat het gaat om sectoren met uniforme processen of gebouwgebonden energiegebruik, geeft het een beperkte impact op werkelijke energiebesparing en CO2-reductie verwachten wij. Gelukkig vallen deze partijen nog wel onder de informatieplicht.

Zorg voor structurele versteviging van toezicht en handhaving

De terugverdientijd voor verplichte maatregelen wordt verruimd van vijf naar zeven jaar, waardoor het aantal maatregelen toeneemt en circa 11 PJ extra energiebesparing kan worden gerealiseerd, tegen een geschatte investering van circa €1 miljard.

  • Wij willen met klem benadrukken dat de effectiviteit van verruiming van terugverdientijd van 5 naar 7 jaar volledig afhankelijk is van serieus toezicht en handhaving.
    De voorgestelde verruiming van de terugverdientijd binnen de energiebesparingsplicht (van 5 naar 7 jaar) zou een positieve ontwikkeling kunnen zijn. Deze aanpassing vergroot de set aan rendabele maatregelen en kan daarmee bijdragen aan versnelling van elektrificatie, emissiereductie, reductie van het gasverbruik en oplossen van netcongestie. Daarbij sluit het ook aan bij een maatschappelijke verwachting aan effort (in termen van terugverdientijd) die we ook van burgers verwachten. Echter: in de praktijk worden op dit moment al veel maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar niet uitgevoerd. 91 procent van alle bedrijven krijgt een hercontrole, bij hercontrole stonden in okt ‘25 nog 64.441 maatregelen open (bron). Allemaal met een gunstige terugverdientijd, en met voordelen voor netcongestie, energie-onafhankelijkheid en kostenreductie. Zónder verdere structurele versteviging van toezicht en handhaving kan verruiming van de terugverdientijd daarmee ‘een wassen neus’ zijn. Voortzetting van het extra budget via SpUK-THE is voor nu goed – geïntensiveerde efforts worden gelukkig ook voorzichtig herkend bij bedrijven –  maar het maakt allerminst zeker dat hiermee voldoende toezicht en handhaving wordt bereikt. Structurele versteviging wordt maatschappelijk ook verlangd voor naleving van een wet die stamt uit 1993.
  • Draag bij aan stevige Europese energiebesparingswetgeving, gelijk tussen lidstaten. De druk vanuit Europa om energiebesparingsdoelen daadwerkelijk te halen, neemt logischerwijs toe. Dat geldt voor Nederland, maar ook voor andere lidstaten die achterliggen op de doelstelling. Europese EED wetgeving, gekoppeld aan toezicht en handhaving vanuit NEa i.h.k.v. ETS1 kent aanzienlijk betere nalevingspercentages, en betreffen een gelijk speelveld. Inzetten op verhoging van de terugverdientijd (dit is nu slechts 3 jaar) daarbij zou goed zijn.
  • Daarnaast melden we graag dat het belangrijk is dat Nederland aanvullende maatregelen neemt om het ongelijke Europese speelveld te herstellen, zodat bedrijven ook in verduurzaming kúnnen investeren. Verlenging van de terugverdientijd van 5 naar 7 jaar heeft het risico op juist een ongelijker Europees speelveld voor Nederlandse bedrijven, zeker zolang buurlanden nog geen verstevigende maatregelen nemen.
  • Zorg voor passende subsidie- en/of fiscale ondersteuningsruimte. Bij aanpassing van de terugverdientijdgrens kunnen ook subsidie- en fiscale budgetten wijzigen, aangezien wettelijk verplichte maatregelen niet zomaar in aanmerking komen voor subsidie. Zeker voor maatregelen met relatief lange terugverdientijd ligt ondersteuning voor de hand om de uitvoering ook daadwerkelijk haalbaar te maken. Zeker in een overgangsperiode en ten opzichte van onze buurlanden. Bied daarnaast financiële ondersteuning via nul- of lage rente en (operational) lease-opties. Hierdoor wordt het nemen van energiebesparende maatregelen aantrekkelijker voor bedrijven.
  • Scherp de wettelijke rekenregels aan, om te voorkomen dat bedrijven te nemen maatregelen actief blokkeren. We zijn teleurgesteld dat er geen opties in de actualisatie zijn opgenomen ter voorkoming van het ‘kapot-rekenen’ van de terugverdientijd. Het is met de huidige rekenregels te makkelijk om de terugverdientijd op papier meerdere jaren op te rekken, daar geeft een wijziging in de terugverdientijdgrens voor te nemen maatregelen geen begrenzing in. Een verbeterde standaard rekenmethodiek kan: door niet standaard te rekenen met extern geld, en door beperking van ruime opties om extra kosten op te nemen.
  • Zorg voor praktische training voor toezichthouders en handhavers. Toezicht en handhaving op locatie is arbeidsintensief en in geval van procesindustrie vaak complex. Goede kennis en kunde is cruciaal, Luuk Klaassen refereert hier ook aan in het Noord-Hollands Dagblad. Zorg daarnaast voor intervisie tussen omgevingsdiensten, van elkaar leren zal de kwaliteit tussen omgevingsdiensten meer gelijktrekken.
  • Vergemakkelijk de handhaving door ongeschikte equipment verboden te maken in het magazijn. Equipment die nu al niet mag draaien in productie – omdat een energie efficiëntere versie in alle gevallen een terugverdientijd heeft die voldoende kort is (zoals elektromotoren van voldoende klasse) – mag nog wel op voorraad liggen. Elke reden dat het onderdeel in het magazijn ligt, is omdat het geïnstalleerd zál worden in productie. Toezicht en handhaving is in een magazijn makkelijker dan in een lawaaierige en krappe productieruimte. Volledig inzetten op de ecodesign wet aanscherpen, wat nieuwverkoop van ongeschikte equipment verbied, is hierin onvoldoende; de zeer langzame overstap van de gloeilampen naar LED-verlichting laat dat wel zien. Bovendien geldt ecodesign wetgeving niet voor tweedehands aankopen en revisies.

Nadere punten ter optimalisatie

  • Wij waarderen de verlegging van de informatieplicht van verhuurder naar huurder. Daarmee komt, met name bij procesmatig energieverbruik wat in de regel de hoofdmoot van het energieverbruik is, de verantwoordelijkheid te liggen bij de juiste partij. Verschuiving naar de huurder vergemakkelijkt ook toezicht en handhaving.
    Wel vraagt dit om een heldere afbakening van contractuele verantwoordelijkheden tussen verhuurder en huurder: de huurder is in deze aangepaste vorm ook verantwoordelijk voor gebouwgebonden maatregelen, die eerder onder de invloed van de verhuurder vallen. Daarbij is relevant waar in de praktijk de feitelijke onderhandelingsmacht ligt tussen verhuurder en huurder. Een splitsing tussen gebouwgebonden (zoals dubbelglas en zonnepanelen; voor de verhuurder) en procesmatige (zoals elektromotoren en installatie-isolatie; voor de huurder) energiebesparings-maatregelen kan daarom het meest logisch zijn, ondanks dat het toezicht en handhaving complexer maakt.
  • We waarderen het goed dat voor Overheidsgebouwen de eisen voor zon-op-dak gelijk worden getrokken met de Bbl, en daarmee geïntensiveerd tot 10 jaar terugverdientijd. Deze aanpassing past bij een voorbeeldrol vanuit de Overheid om verduurzamingsmaatregelen te nemen die maatschappelijk wenselijk zijn.
  • Wij stellen voor bedrijven onder de onderzoeksplicht het onderdeel ‘onderzoeksplicht-analyse van de aandrijfsystemen +15kW’ te vervangen door een ‘energie monitoring plicht’. Binnen de Energiebesparingsplicht en EED, alsook binnen EPBD, nemen gelukkig de verwachtingen rondom energiemonitoring op installatieniveau toe. Dit is goed, omdat energie monitoring praktische inzichten geeft die 10 tot 40% energie besparingen kunnen opleveren, deels zelfs zonder investeringen, maar alleen met aangepast gedrag. Hiermee speelt dan tevens het kapot-rekenen niet meer.
  • Waardeer integrale oplossingen, zodat bedrijven kiezen voor systeemoptimalisatie in plaats van minimale compliance. De huidige plicht beloont vooral losse maatregelen, terwijl geïntegreerde oplossing (bijv. EMS, zonnepanelen, warmtepompen, opslag én congestiediensten) meer CO₂-reductie, efficiëntie en netontlasting opleveren. Zet hier ook op in bij training van toezichthouders.
  • Wij stellen voor om rapportage cycli en de inhoud ervan af te stemmen met verplichtingen uit het Europese Efficiency Directive (EED). Oplossen van die mismatch zorgt ervoor dat soortgelijke rapportages niet dubbel gemaakt hoeven te worden, wat erg fijn is voor regeldruk reduceren. De tijdsinzet kan dan besteed worden aan daadwerkelijke verduurzaming, in plaats van alleen de rapportage erover, hoe zinvol een rapportage en aandacht daarvoor ook is.
  • Het blijft van belang dat er nu, en ook na 2030, voldoende aanpalende subsidies en financieringsinstrumenten beschikbaar zijn om maatregelen uit te voeren.

 

Wij wensen u veel succes in de verwerking van de consultatie reacties. Bij vragen of opmerkingen kunt u altijd contact opnemen met ons via Tessa Hermens – van Ruremonde (tessahermens@nvde.nl). We denken graag mee.