Position papers

NVDE consultatie Derde openstellingsronde OWE subsidie (OWE 3)

Reactie t.b.v. consultatie ‘Derde openstellingsronde OWE subsidie (OWE 3)’
31 mei 2026

Dank voor de mogelijkheid tot indienen van een reactie in de consultatie ‘Derde openstellingsronde OWE subsidie (OWE 3)’. Waterstof bevindt zich in een uitdagende opstartende fase. Voor velen gaat het toegroeien naar een systeem op basis van hernieuwbare waterstof niet snel genoeg. Wij zijn dan ook blij dat er een derde openstellingsronde komt van de OWE, om de opschaling van elektrolyse te bevorderen. Voor emissiereductie en het draagt bij aan een grotere energieonafhankelijkheid.

We hebben de structuur van de consultatievragen gevolgd in onze consultatiereactie.

Algemeen

  1. Met welke reden reageert u op deze consultatie? In het geval dat u een aanvraag overweegt te doen, kunt u dan op hoofdlijnen vertellen hoe dat project eruitziet?
    NVDE reageert op de consultatie in het belang van de missie naar een volledig hernieuwbaar energiesysteem. Hernieuwbare waterstof speelt hierin een cruciale rol, het zou goed zijn als de opschaling ervan versnelt. Wij zijn dan ook voorstander van een subsidie voor opschaling van elektrolyse.
  2. Als u al eerder een aanvraag heeft gedaan of overwogen voor een andere subsidieregeling voor elektrolyseprojecten, zoals eerdere openstellingsrondes van de OWE, kunt u dan uitleggen waarom u (ook) en aanvraag voor deze regeling wilt doen?

Niet van toepassing vanuit NVDE.

Aanvraagprocedure en afwijzingsgronden

  1. In de OWE 3 is bij artikel 3.9 Afwijzingsgronden toegevoegd dat een aanvraag wordt afgewezen als uit de haalbaarheidsstudie blijkt dat het eigen vermogen dat de subsidieaanvrager zal inzetten voor de financiering van de waterstofproductie-installatie minder dan 10% is van de totale investeringskosten van de waterstofproductie-installatie (artikel 3.9 lid g van de conceptregeling). Wat vindt u van deze afwijzingsgrond?

Wij achten 10% acceptabel. Een bepaalde ‘skin in the game’ van projectontwikkelaars zelf is goed. Dan is een minimale eigen investering logisch en begrijpelijk.

  1. In de OWE 3 is bij artikel 3.9 Afwijzingsgronden toegevoegd dat een aanvraag wordt afgewezen als de aanvrager geen maatregelen neemt om in te gaan op de kernbestanddelen van passende zorgvuldigheid en geen informatie verstrekt aan het publiek over maatschappelijk verantwoord ondernemerschap. Zie artikel

3.11 lid h in de conceptregeling voor de volledige afwijzingsgrond en uitzonderingen daarop. Is voor u duidelijk wat met deze eisen wordt bedoeld, en zo ja, zijn deze voor u uitvoerbaar?

Ten eerste, zien wij de bedoelde afwijzingsgrond niet terug in de concept regeling of in de toelichting, we kunnen daarmee geen volledig antwoord geven op de gestelde vraag. Dat gezegd hebbende: NVDE vindt het niet onterecht dat bij ontvangen van publieke middelen er verwachtingen mogen zijn over maatschappelijk verantwoord ondernemerschap en passende zorgvuldigheid. Wij vragen ons echter wel af of het toegevoegde waarde, immers het gaat om serieuze bedrijven die elektrolysers bouwen. Deze bedrijven hebben al MVO verplichtingen. Dit zou voldoende moeten zijn. Mochten er separate behoeftes zijn, stellen wij voor dat duidelijke verwachtingen en rapportage eisen worden meegegeven, om hiermee een ‘beautycontest’ te voorkomen.

Rangschikkingscriteria

In de OWE 2 was de ingediende subsidiebehoefte van projecten het enige rangschikkingscriterium voor de toekenning van subsidies. In de OWE 3 zijn vier ‘nietfinanciële’ rangschikkingscriteria geïntroduceerd die de zekerheid over de economische haalbaarheid en uitvoerbaarheid van projecten binnen de gestelde realisatietermijn moeten vergroten. Hiermee kent de OWE 3 de volgende rangschikkingscriteria:

  • Het aangevraagde subsidiebedrag;
  • De mate waarin de afname van gesubsidieerde elektrolyseprojecten is zeker gesteld (intentieverklaring of contract);
  • De mate waarin vergunningen zijn zeker gesteld (aanvraag vs. onherroepelijk toegekend);
  • De mate waarin een elektriciteitsaansluiting voor de elektrolyser is zekergesteld (aanbod vs. afgesloten transportcontract)
  • De mate waarin investeringskosten zijn onderbouwd (percentage van investeringskosten onderbouwd door een offerte of onafhankelijk ingenieursbureau)
  1. Het financiële rangschikkingscriterium in euro per MW outputvermogen kent een bovengrens van 6 miljoen € per MW. Wat vindt u van deze bovengrens?

Wij vinden een bovengrens prima. Het projectplafond van €375 miljoen zorgt er echter wel voor dat grootschalige projecten in de praktijk niet voldoende subsidie-intensiteit kunnen realiseren. En aanvullend een vraag: Moet er een minimaal aantal punten behaald worden, of is ‘0’ ook oké om alleen met de punten uit de niet-financiële rangschikkingscriteria de rangschikking in te gaan? Hier gaan we nu wel vanuit, wellicht is het goed om dat te verduidelijken.

  1. Wat vindt u in algemene zin van de invoering van niet-financiële rangschikkingscriteria in de OWE om de economische haalbaarheid en realisatiekans van projecten te vergroten? Welke impact verwacht u op uw

subsidieaanvraag? Onderbouw uw antwoord graag met argumenten.

Tijdens OWE 2 is ondanks flinke overvraging van het beschikbaar budget, alsnog de regeling niet uitgeput. Dat vinden wij geen goed signaal voor de opschaling van de waterstofmarkt en voor het belang van inzet van publieke middelen in het algemeen. Het maakt zichtbaar dat niet alle aanvragen geschikt waren om te voorzien van subsidie, en dat de regeling beter gewijzigd kan worden. Oorzaak vanuit het gebeurde tijdens OWE2 kan liggen in te strenge eisen in de regeling (zoals over de afname van de waterstof), eventuele onduidelijkheid in de regeling, of onvolwassenheid van de projecten.
De voorgestelde niet-financiële criteria gaan met name in op zorgen voor voldoende volwassenheid bij de ingediende projecten, en passen wat ons betreft beter bij de fase waarin de waterstofmarkt zich bevindt. Deze bredere criteria zorgen ervoor dat de betere projecten meer kans maken, en dat hoeven niet de goedkopere te zijn. Het is dus goed dat er niet-financiële rangschikkingscriteria zijn toegevoegd. Maar wegen deze genoeg mee om een race-to-the-bottom te voorkomen? En zijn de criteria wel onderscheidend genoeg?

Zo vinden we enkele criteria onnodig streng, de waterstofmarkt ís er immers nog niet. Sommige criteria zijn in de projectfase tijdens subsidie-aanvraag ook nog niet logisch. Met de niet-financiële rangschikkingscriteria wordt wel beter beoordeeld als je bijv nog geen (volledige) afname hebt, dat is beter, omdat een afwijzing hierop (ten tijde van OWE2) wel erg scherp was.
Bij de opvolgende vragen gaan we inhoudelijk verder in op de verschillende deelonderwerpen en de voorgestelde ontwerpkeuzes.

Daarbij merken we graag een ander punt op, wat goed helpt in het vinden van de volwassen projecten in de markt: namelijk zekerheid geven in de cadans van openstellingsrondes van de OWE. Er komt nu een ronde, 2,5 jaar na OWE 2. Ritme en duidelijkheid helpen de ontwikkelingen gaande te houden, als bekend is wanneer volgende rondes komen, en van welke grootte. Zoals bij SDE++ ook het geval is. Dit werkt ook als OWE niet in jaarlijkse rondes gaan werken.

  1. Ziet u de introductie van niet-financiële rangschikkingscriteria als een passende oplossing, of heeft u ideeën voor andere oplossingsrichtingen? Graag uw antwoord onderbouwen met argumenten.

Om het kaf van het koren te scheiden is rangschikking een heel zinvol middel, hier staan we achter. We missen wel een aantal onderdelen in de rangschikking, zoals:

  • Wij stellen voor om de waterstofinfrastructuur mee te wegen in de rangschikking. In gelijke mate als de elektriciteitsaansluiting. Een project zal namelijk zowel aan de opwekzijde als aan de afnamezijde qua infrastructuur gereed moeten zijn om succesvol voortgang te vinden. Hierbij kan zowel vervoer over de weg (per truck) als per buisleiding geschikt zijn.
  • Daarnaast merken wij dat de diversiteit in partijvormen die geïnteresseerd zijn in het bouwen van een elektrolyser uitdagingen geeft in criteria rondom hernieuwbare stroomafname overeenkomsten. Terwijl in Artikel 3.1 lid 4 en 5 er wel (milde) eisen aan worden gesteld.
    De hernieuwbare stroomafnameovereenkomst kan gezien worden als een vorm van volwassenheid in het project, mits voor een route van PPA wordt gekozen. Echter kan het met een grote doorlooptijd, en eisen in additionaliteit ook niet verlangd worden een stroomafnameovereenkomst te overhandigen van een windpark wat nog niet gebouwd is. Of er kan bewust voor een andere inkoopstrategie gekozen worden. Er zit (wellicht helaas) geen krapte op de markt van hernieuwbare elektriciteitsopwek, en de motivatie om te voldoen aan de additionaliteitseisen is groot. Wij stellen daarom voor nogmaals te kijken naar eisen rondom hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten.
    Aanpassing van 3 naar 1 jaar maakt hierin niet het grote verschil, aangezien je tijdens subsidie-aanvraag namelijk in een te vroeg stadium zit om het contract al helemaal rond te hebben.
    Kortom: De hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten (PPA of anderszins) zijn natuurlijk belangrijk in de ontwikkeling van een elektrolyser, maar in hoeverre het bepalend is om de volwassenheid van het project te bepalen wordt wisselend over gedacht.
  1. Wat vindt u van het rangschikkingscriterium over de mate waarin de afname van waterstof is zeker gesteld? Graag uw antwoord toelichten.

Afname is een cruciaal criterium. Zonder afname zal het project geen voortgang vinden, ook niet als de vergunning en elektriciteitsaansluiting zijn geregeld. Het is alleen heel goed dat afname niet langer een afwijzingsgrond is. Wij zouden graag opmerken dat dit in de OWE 2 een belangrijke reden is dat veel kansrijke projecten zijn afgewezen. Opnemen als afwijzingsgrond strookt niet met de realiteit van de huidige waterstofmarkt. Wat betreft het huidige voorstel zien wij problemen op een aantal vlakken:

  1. De dekkingsgraad van de productie in het huidige scorecriterium is arbitrair en gevoelig voor sjoemelen bij randgevallen: Een producent kan ervoor kiezen om artificieel het aantal vollasturen aan te passen waardoor de totale waterstofproductie daalt en de dekking bijvoorbeeld net niet in de 55-70% range, maar de 70-85% beland. Aangezien subsidie intensiteit wordt bepaald op het output vermogen heeft dit geen invloed op de financiële rangschikking. Het geeft mogelijkheid in arbitreren tussen capex/opex dus, wat de vergelijking niet fair maakt.
  2. Ook het onderscheid tussen afnemers met een bestaande installatie en nieuw te bouwen installaties is niet duidelijk genoeg. Valt een installatie die wel nog FID moet nemen voor het aansluiten op de waterstof backbone, of een uitbreiding van een bestaande installatie hier wel of niet onder. Met het oog hierop is het beter dit onderscheid weg te halen uit te regeling. Dit geeft ook geen nadeel voor nieuw te ontwikkelen industrieën.
  1. Richt bij afnamecontracten liever niet alleen op eindafnemers, maar bijv. ook op tolling agreements met niet-eindafnemers. Om het beter passend te maken bij werkelijke mogelijkheden. De marktpartij (zogenoemde ‘toller’) garandeert vooraf de ‘koop’ van de productie én heeft leveringszekerheid. Op zijn beurt heeft de producent zich verplicht zijn productiecapaciteit beschikbaar te stellen. In een tolling agreement neemt de toller de upstream/downstream risico’s over van de producent. De producent wil graag lange termijncontracten aangaan om zoveel mogelijk zekerheid te hebben. Eindafnemers willen echter vaak juist korte termijncontracten aangaan. De toller gaat een lange termijn afnameovereenkomst aan met de producent en gaat daarna ook weer korte termijnovereenkomsten aan met (eind)afnemers. Hiermee worden de risico’s verspreid over meerdere partijen. De toller neemt de upstream/downstream risico’s op zich, terwijl de producent technische risico’s op zich neemt. Om in de OWE een tolling overeenkomst goed te laten functioneren, moet de eis losgelaten worden dat de waterstof aan een eindafnemer geleverd moet worden. Daarmee is de toller de afnemer van de waterstof (zij het niet een eindafnemer).
  2. Wat ons verder opvalt in de puntentoekenning is dat er niet in wordt meegenomen of de waterstof door één of door meerdere partijen wordt afgenomen. Bij afname door één partij speelt de toekomst en kredietwaardigheid van die ene partij mogelijk een grotere rol, dan als door meerdere partijen wordt afgenomen.
  3. Algemeen: We waarderen het dat er verschillende vormen bestaan binnen het criterium, waardoor elke mate van zekerheid wel zijn waarde kan hebben. En ook een minder zware vorm van zekerheid (zoals een LOI) wel punten geeft.
  4. Wat vindt u van het rangschikkingscriterium over de fase waarin de vergunningsaanvragen verkeren? Graag uw antwoord toelichten.

De fase van de vergunningsaanvraag is een zichtbaar onderdeel in volwassenheid van het project. Ook hier waarderen we het dat er verschillende vormen bestaan binnen het criterium, waardoor elke mate van zekerheid zijn waarde heeft. We zijn blij dat vergunningverlening geen afwijzigingsgrond is, maar een rangschikkingcriterium. De projectontwikkelaar heeft immers -na tijdig toezenden van de noodzakelijke stukken- weinig invloed op de snelheid van vergunningverlening. Verder vestigen we graag de aandacht op dat de bouwvergunning meestal pas erg laat in de projectontwikkeling wordt aangevraagd, soms zelfs na FID, omdat daarvoor het definitieve ontwerp af moet zijn. Daarom zien wij er geen meerwaarde in om hier ten tijde van subsidie aanvraag een extra punt voor toe te kennen.

  1. Wat vindt u van het rangschikkingscriterium over het zeker stellen van de elektriciteitsaansluiting voor de elektrolyser? Graag uw antwoord toelichten.

Wij stellen enerzijds voor dit criterium strénger te maken, en anderzijds realistischer.

  1. Zonder elektra aansluiting ís er namelijk geen project. Bij geen zicht op een elektra aansluiting is er 5+3jr later er ook nog geen project. Dat maakt dit een belangrijk rangschikkingcriterium.
  2. Anderzijds moet het vereiste wel passen bij de fase waarin het project zich bevindt ten tijde van de subsidieaanvraag. Aangezien contracten met de netbeheerder kosten met zich meebrengen die voor FID moeten worden voldaan en dus een risico vormen, is het gangbaar om het maken van kosten zo laat mogelijk in de projectontwikkeling te doen. Een actueel aanbod van de netbeheerder is ook voldoende waarborg en dit zou gezien kunnen worden als het maximaal aantal punten. Hetzelfde gaat op voor goedkeuring van de directe lijn ten opzichte van de bestaande directe lijn: Het is niet redelijk van projecten te verwachten dat zij deze kosten eerder (voor indiening subsidieaanvraag) in de ontwikkeling maken.
  3. Naast elektriciteit de elektrolyser in, is ook het transport van het waterstof de elektrolyser uit ook érg belangrijk. We merken op dat hier geen aandacht voor is bij de rangschikkingseisen. Terwijl dit wel bepalend kan zijn. Wij vinden het logisch hier ook iets voor te overleggen wat meetelt in de rangschikkingscriteria. Afhankelijk van de projectvorm en hoe de geproduceerde waterstof zijn afzet vindt. Dus áls je infra nodig hebt, dat daar ook punten mee te verdienen zijn als er stappen in gezet zijn. Bijv. met een CSA in geval van HNS transport.
  4. Wat vindt u van het rangschikkingscriterium over onderbouwing van geraamde investeringskosten? Graag uw antwoord toelichten.

We achten het als waardevol dat de mate van volwassenheid mede bepaald wordt door goede inschatting van investeringskosten. Het vereiste moet ook hier wel passen bij de fase waarin het project zich bevindt ten tijde van de subsidieaanvraag. Zoals ook tijdens de kennissessie is benoemd, is het lastig een percentage van zekerheid te koppelen aan geraamde investeringskosten ten tijde van de subsidieaanvraag. Tijdens de subsidieaanvraag is het project namelijk nog niet in een gedetailleerde engineeringsfase, waardoor de kosten nog niet in detail bekend zijn. Het helpt om duidelijker te maken aan welke eisen en welk detailniveau de onderbouwing moet voldoen. Het is daarnaast vaak niet toegestaan exacte offertes te delen met derde partijen, een voorbeeld van een ‘duidelijke’ uitsplitsing helpt dan.

Daarnaast is de geldigheidstermijn van 6 maanden erg kort, zeker met het oog op vertraging in de OWE 3 regeling ten opzichte van eerdere tijdlijnen. Het aanvragen van kostenopgaven is een kostbaar en tijdrovend proces. Beter zou zijn om deze termijn te verlengen tot minimaal 1 jaar.

Ter aanvullende informatie: Tijdens de Nationale Industriedialoog van het NPVI is een ‘praatplaat’ gepubliceerd waarin alle stappen die een bedrijf doorloopt tot en met FID is opgenomen. Dit geeft een goed overzicht van de itererende stappen en hun onderlinge afhankelijkheid.

Het relevante Europese staatssteunkader geeft de gelegenheid om bij het opstellen van rangschikkingscriteria een scoringsgewicht van maximaal 30% toe te kennen aan kwalitatieve rangschikkingscriteria en een scoringsgewicht van ten minste 70% toe te kennen aan kwantitatieve rangschikkingscriteria uitgedrukt in termen van steun per eenheid milieubescherming (€/MW outputvermogen). In de OWE3 is de gekozen verdeling is als volgt,

  • Aangevraagde subsidiebedrag: hoogstens 80 punten
  • Afname zeker gesteld: hoogstens 8 punten
  • Vergunningen: hoogstens 5 punten
  • Elektriciteitsaansluiting: hoogstens 4 punten
  • Onderbouwing investeringskosten: hoogstens 3 punten
  1. Wat vindt u van de puntenverdeling tussen de rangschikkingscriteria?

Met het oog op het doel van de OWE 3 om zoveel mogelijk projecten te beschikken die daadwerkelijk gebouwd gaan worden zou het beter zijn het maximale scoringsgewicht van 30% toe te kennen voor niet-financiële criteria. Hiervoor zouden wij graag zien dat essentiële randvoorwaarden, die ook in de beginfase van een project meer duidelijkheid behoeven extra worden gescoord.

Wij stellen de volgende puntenverdeling voor (met de gedachte dat onze aanbevelingen worden overgenomen om deze realistischer te maken):

  • Aangevraagde subsidiebedrag: hoogstens 70 punten
  • Afname zeker gesteld: hoogstens 7 punten
  • Vergunningen: hoogstens 7 punten
  • Power Purchase Agreement (PPA): hoogstens 7 punten
  • Elektriciteitsaansluiting én waterstoftransport: hoogstens 6 punten
  • Onderbouwing investeringskosten: hoogstens 3 punten

Realisatie en haalbaarheid

  1. Indien u voornemens bent om waterstof te produceren op basis van een PPA met een offshore windpark, biedt de huidige conceptregeling daarvoor voldoende ruimte? Zo nee, welke aspecten van de vormgeving en/of timing van de regeling verhinderen dit of vormen hiervoor op zijn minst een risico?

NVDE zal zelf geen waterstof gaan produceren, echter met onze leden zien wij het volgende: Aanpassing van 3 naar 1 jaar maakt niet het grote verschil. Tijdens subsidie-aanvraag zit je namelijk in een te vroeg stadium om het contract al helemaal rond te hebben.

Vanuit de andere kant van de medaille, de hernieuwbare stroomopwek, is een korte PPA wel lastiger voor de bankability van bijv. wind op zee.

Ook vinden we de voorwaarden van het aanbod onnodig krap. Zo lijkt een aanbod van een derde partij (bv. handelaren) niet geldig onder de huidige regels. Dit terwijl PPAs afsluiten via derde partijen gebruikelijk is in de energiesector. Ook worden tolling agreements hiermee uitgesloten, aangezien de toller in dat geval zowel de elektriciteit levert als de afname van de waterstof op zich neemt. Deze tollers zijn echter in principe goed in staat een PPA af te sluiten die voldoet aan de voorwaarden.

  1. Gelet op de huidige marktcondities en de tijdlijn voor infrastructuurontwikkeling, wat beschouwt u als een realistische realisatieperiode voor een waterstofproductie-installatie? De OWE 3 stelt een realisatietermijn voor van 5 jaar met mogelijk 3 jaar ontheffing, is dat volgens u realistisch?

De realisatie van een elektrolyser is heel tijdrovend, gezien de complexiteit van de projecten en ontwikkelend beleid voor wind op zee en waterstof. Met daarnaast nog – de voor de energietransitie algemene – uitdagingen in de fysieke ruimte, uitbreiding van onze infrastructuur én wellicht het belangrijkste: trage vergunningverlening.

5 jaar realisatieperiode (en 3 jaar uitstel mogelijkheid) is acceptabel áls de backbone er dan ook ligt, maar het is lastig om die mee op te schuiven in subsidie als daar toch vertraging komt in de backbone. Door telkens meer vertraging in allerlei ontwikkelingen, niet alleen in de praktijk, maar ook in beleid; is vasthouden aan de 5 jaar uitdagend.

Ons voorstel is om op te rekken naar standaard 7 jaar (en 3 jaar uitstel mogelijkheid). Dit reflecteert de stand van de huidige waterstofmarkt en infrastructuurontwikkeling beter: Vertraging in de implementatie van RED III en gebrek aan een doorgroeipad voor na 2030 zorgen voor grote onzekerheid in de markt. Ook staat de verbinding met Duitsland en België via de Delta Rijn Corridor nu gepland voor 2032, wat ná de realisatietermijn van 5 jaar zou vallen. Voor projecten met een grote ambitie voor (intermittent) waterstofproductie van offshore wind is het essentieel om bereikbaar te zijn voor meerdere afnemers/clusters en toegang te hebben tot een grootschalige opslag voor waterstof. Partijen hoeven niet de volledige 7 jaar te nemen, maar het past dan wel beter bij de realiteit. Dit geeft de tijd om ook écht te realiseren, en niet eerst subsidie toe te kennen die dan toch ingeleverd moet worden.

Ter aanvullende informatie: Natuurlijk betreuren wij het dat realisatietermijnen zo lang zijn. Daarom werken we ondertussen kéihard aan versnelling. NVDE doet meerdere voorstellen om vergunningverlening te versnellen; zie hiertoe ons onlangs verschenen rapport ‘Wie zwijgt, stemt toe’: simpele wetswijziging kan netcongestie jaren sneller doorbreken – NVDE – Nederlandse Vereniging Duurzame Energie.

  1. De OWE 3 hanteert nog steeds een maximale subsidiebehoefte van €9/kg, is dat volgens u adequaat?

We begrijpen dat een maximale subsidiebehoefte in de regeling nodig is. En ondanks dat de productiekosten van hernieuwbare waterstof helaas hoger liggen dan €9/kg, achten wij deze grens adequaat. Bij de rangschikking worden natuurlijk meer punten toegekend bij lagere subsidiebehoefte, hiermee wordt concurrentie bewerkstelligd en maximaal effect van het beschikbare subsidiebudget nagestreefd.

  1. De OWE 2 hanteerde een investeringssubsidiebedrag van ten hoogste 80% van de som van de subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductieinstallatie. Voor de OWE3 wordt onderzocht op dit percentage te verlagen naar 70%. Wat is uw mening hierover? Is dit percentage werkbaar?

Om het risico op de investeringskosten te dekken is een zo hoog mogelijk investeringssubsidiebedrag wenselijk. De onzekerheden in de waterstofmarkt zijn groot. Niet alleen betreft het hier een nieuwe technologie, ook de afname is onzeker doordat de RED III niet verder gaat dan 2030 en er nog geen duidelijkheid is over de STIHWI. Daarnaast is ook productie kan risicovol door de afhankelijkheid van groene stroom. Het heeft de voorkeur als de subsidie zoveel mogelijk van de investeringskosten kan dekken om het hier risico weg te nemen bij de ontwikkelaars. Hiermee stellen we voor het investeringssubsidiebedrag op 80% te houden. Wat niet onder het CAPEX-deel valt, ga je onder OPEX vangen, daarbij telt over 5-10jr (binnen OWE) de waardedaling dan ook mee.

  1. In de OWE 2 werd het formaat van een waterstofproductie-installatie uitgedrukt in MW inputvermogen; in de OWE 3 is dit MW outputvermogen.
  2. Wat vindt u van deze aanpassing?

Vooralsnog wisselend beeld vanuit onze leden:

  • Onnodig en niet effectief. Het scoren op outputvermogen zou efficiënte electrolysers moeten bevoordelen, wat een nobel streven is. Echter zien wij, ook bij onze marktuitvraag bij leveranciers, dat het niet realistisch is projecten hierop te beoordelen. De technologie is nog onvoldoende bewezen op grote schaal en langere termijn genoeg vertrouwen te kunnen hebben in efficiëntie indicaties en degradatiecurves van leveranciers. Wij zien graag dat de scoring op het inputvermogen blijft om een level-playingfield te waarborgen.
  • Focus op outputvermogen is goed. Het focust op efficiëntie van de installatie. Wij vinden dit een goede ontwikkeling, ook in het licht van kostenreductie van waterstofproductie.
  1. Een praktisch gevolg is dat batterijen hooguit een maximaal vermogen van 1 MW per MW outputvermogen van de elektrolyser mogen hebben, om subsidiabel te zijn onder de OWE 3 (artikel 5.4, tweede lid, onder b). Is deze eis voor u werkbaar? Wat vindt u in bredere zin van de “1 MW per MW” vereiste voor batterijen om subsidiabel te zijn onder de OWE?

Opslag van energie is een onlosmakelijk onderdeel van een volledig hernieuwbaar energiesysteem. Wij vinden de optie voor batterij capacteit te klein in de regeling en daarmee te beperkend. Aangezien opslag een systeemoplossing is, waarbij ‘economy of scale’ geldt, zien wij liever mogelijkheden tot een grotere batterij. Een beperking, en daarmee een kleinere batterij, achten wij te korte termijn gedacht. Anderszijds hoeft de OWE natuurlijk geen batterijsubsidie te worden, daarvoor kunnen echter ook eisen gesteld worden aan fysieke koppeling of een hogere grens van de capaciteit.

  1. Een tweede gevolg is dat batterijen hooguit een maximale opslagcapaciteit van 2 MWh per MW outputvermogen van de elektrolyser mogen hebben, om subsidiabel te zijn onder de OWE 3 (artikel 5.4, tweede lid, onder b). Is deze eis voor u werkbaar? Wat vindt u van een voorstel om dit te verhogen naar 3 MWh per MW outputvermogen, om te compenseren voor het verschil tussen input- en outputvermogen?

Zie het antwoord bij b. Ons energiesysteem is gebaat bij voldoende opslag. Daarnaast verhoogt meer opslag bij een elektrolyse systeem het aandeel hernieuwbare waterstof wat uit de installatie en in het systeem volgt, omdat zon- en windenergie op een later moment ingezet kunnen worden en niet verloren gaan, en niet vervangen worden door fossiele waterstof.

  1. De voortgangsverslagen beschreven in artikelen 4.6 en 4.9 in de conceptregeling bevatten in de OWE 3 twee nieuwe onderdelen. Zie artikel 4.6 lid 2 en artikel 4.9 lid 2 in de conceptregeling voor de volledige onderdelen van de voortgangsverslagen. Is voor u duidelijk wat met deze nieuwe onderdelen wordt bedoeld, en zijn deze voor u uitvoerbaar?

Geen reactie vanuit NVDE.

EU-oorsprongsmaatregelen elektrolyse-installaties

  1. In Europese (voorstellen voor) wet- en regelgeving zoals de Net Zero Industrial Act (NZIA) en de Industrial Accelerator Act zijn oorsprongsmaatregelen geïntroduceerd om de vraag naar in de EU geproduceerde producten te stimuleren en afhankelijkheden van derde landen te voorkomen, bijvoorbeeld voor fabricage van elektrolyse-installaties en elektrolyse-componenten. Is het voor u werkbaar als deze oorsprongsvereisten worden voorgesteld en inzet van elektrolyse-installaties en componenten uit derde landen wordt beperkt? Zo nee, wat is de vroegst mogelijke termijn waarop deze vereisten wel werkbaar zouden zijn? Welke consequenties zouden deze vereisten voor uw project(en) hebben?

We willen graag benoemd hebben dat de oorsprongsmaatregelen soms in eenzelfde zin als ‘vraagcreatie’ worden genoemd, maar duidelijk twee verschillende elementen zijn. NVDE is mede-initiatiefnemer van de vraagcreatie coalitie, waarin we willen bewerkstelligen dat aan het einde van de keten verplichtingen gaan gelden om duurzame producten te kopen. Wij zijn er voorstander van de verkoop van duurzamere producten niet alleen aan de vrije markt over te laten, maar geforceerd in de markt te brengen. En we zijn er ook voorstander van dat Nederland vooruitlopend op Europese wet- en regelgeving al kijkt wat mogelijk is, met oog voor internationale concurrentie. Dit kan bijvoorbeeld bij overheidsinkopen. De EU-oorsprongsmaatregelen zijn echter geen nadrukkelijk onderdeel van de lobby op vraagcreatie.

Voor nu (dit stadium van de ontwikkelingen) zijn we voorstander van zo min mogelijk beperkingen vanwege een prijsopdrijvend effect, wat ongelijke concurrentie kan geven met import van waterstof. Zeker als niet heel de EU dit doet. De NZIA kent daarnaast een formulering dat de kosten van EU-geproduceerd veel groter zijn, dat de oorsprongsmaatregel dan niet geldt. Áls besloten wordt oorsprongsmaatregelen mee te nemen dan graag die uitzondering ook meenemen.

Overig

  1. Heeft u verder nog opmerkingen over de OWE 3?

Wij hebben aanvullend vier punten van aandacht:

  1. Ontzettend bepalend in opschaling van waterstof in Nederland is de grootte van subsidiebudgetten. De voorziene 500 miljoen is helaas echt weinig. Zeker na 2,5jr tussen OWE 2 en OWE 3. Wij hopen dat er mogelijkheden worden gevonden extra budget toe te kennen.
    En nog een vraag over het budget: Wat als i.g.v. overschrijving op het budget een eventueel eindrestant in het budget te weinig is voor een extra project? Wij zien graag omschreven wat er met dat restbudget gebeurt.
  2. Eerder genoemd: werk aub graag in een cadans van OWE-rondes. Ritme en duidelijkheid helpt in ontwikkelingen gaande houden en naar volwassen projecten toewerken. Maak dus bekend wanneer volgende rondes komen, en van welke grootte; in analogie met SDE++. Dit werkt ook als OWE niet in jaarlijkse rondes gaan werken.
  3. De OWE is hét instrument voor opschaling van grootschalige elektrolysers. Zoals ook eerder benoemd zien wij graag een hogere ondergrens, ruim boven de 0,5 MW. Met de komst van de OWE waterstofhub, die een bovengrens kent à 15 MW nominaal elektrisch inputvermogen, stellen wij voor die grenzen op elkaar af te stemmen. Omdat de waterstofhubs niet op de backbone aangesloten mogen zijn en de regeling nog een aantal andere voorwaarden kent, is enige overlap wellicht wel goed. Daarom stellen wij voor om in OWE 3 een ondergrens van 10 MW op te nemen. Hierrmee voorkom je ook grote overlap tussen beide regelingen.
  4. In Artikel 6.12. staat het ‘definitief correctiebedrag’ omschreven, opgebouwd uit a. de gemiddelde kosten van het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie over het voorgaande kalenderjaar; b. de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, omgerekend naar € per kg waterstof met de omrekenfactor 0,03932 MWh/kg; en c. de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.
  5. Hier hebben wij een vraag over. Naar ons idee zijn de inkomsten van groene waterstof de inkomsten van de commodity waarde, de waarde van de certificaten tgv de verplichtingen (HWI’s/ Ere, Rare’s), en de EU-ETS prijs. Het lijkt alsof hier is geprobeerd de waarde van de verplichtingen te vangen in de GvO. Echter, voor de lidstaatverplichtingen uit de RED heeft GvO geen status. De certificaten vanuit de vrjwillige RED duurzaamheidssystemen (vaak POSsen genoemd) moeten worden gebruikt door lidstaten voor het voldoen aan de lidstaatverplichting uit de RED. Wij begrijpen daarom niet waarom hier gekozen wordt voor de waarde van de GvO en niet voor de waarde van de POS. Zouden jullie hierop helderheid kunnen verschaffen? Wordt hiermee gepoogd een barièrre op te werpen voor internationale handel?
  6. Er wordt hard gewerkt om de waterstofmarkt op gang te krijgen; door aanbod, infra én afname gelijk te laten vallen. Met meerdere instrumenten wordt gepoogd om het in gelijktijdigheid op gang te krijgen. Het maakt het spannend hoe dit allemaal in elkaar past, en of het samenlopen van de instrumenten goed gaat? Wij zien dat alsnog meer nodig is om een succes van waterstof te maken: Voor een succesvolle waterstofmarkt zijn naast een sluitende businesscase (met raffinageroute, jaarverplichting, OWE, STIHWI) ook snelle aanleg van infrastructuur, versnelde vergunningverlening, oplossen van stikstofknelpunten en blijvende inzet op wind op zee essentieel. Daarnaast zijn verdere kostprijsverlagingen in de keten nodig. En gerichte herziening van de EU Delegated Act (wanneer mag je waterstof hernieuwbaar noemen) kan opschaling ondersteunen; maar voor investeringszekerheid graag snél, beperkt en helder.
  7. Diversificeren aanbodtechnieken. Offshore systeemvoordelen. Geen elektriciteitstransport, goedkopere gastransport voor lange offshore afstanden, optimalisaties dure ACDC op zee.
  8. Als laatste vestigen we – volgend op punt 3 – graag nog de aandacht op een ander onderwerp. Namelijk: zolang een Contract for Difference door de EU wordt gezien als subsidie, en hiermee zon- en windenergie mogelijk wordt gemaakt, is de waterstof die uit deze zon en wind volgt, niet inzetbaar als RFNBO. Dit kan het volume aan beschikbaar RFNBO in Nederland drastisch beïnvloeden. Dit punt is niet de scope van de voorliggende OWE 3-regeling, maar relateert sterk én is impactvol. Zoals bekend moet er nog veel gebeuren om de waterstofmarkt goed op gang te helpen. Elke actie die richting in is waardevol, laten we daar samen werk van blijven maken; en het volledige beeld op instrumentaria en doelen houden.

Wij wensen u veel succes in de verwerking van de consultatie reacties. Bij vragen of opmerkingen kunt u altijd contact opnemen met Tessa Hermens – van Ruremonde (tessahermens@nvde.nl). We denken graag mee.

De Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) maakt zich sterk voor een energievoorziening die volledig is gebaseerd op hernieuwbare energie door het bundelen van krachten uit de gehele sector. De aangesloten bedrijven zijn actief in hernieuwbare elektriciteit, warmte en gassen en in duurzame mobiliteit, de gebouwde omgeving en de industrie. De activiteiten voor duurzame energie bij 1.600 aangesloten bedrijven vertegenwoordigen nu al een omzet van ruim € 43 miljard en bijna 200.000 werknemers in Nederland.