Verduurzaming van de industrie: doe het met beleid!

Om te verduurzamen zal elk bedrijf zijn eigen mix aan technieken nodig hebben, met energiebesparing, duurzame bronnen en te vermijden uitstoot. Een samenhangend plan met een logische volgorde in de tijd is daarbij essentieel. Marc Londo helpt je op weg met een paar vuistregels. En waarschuwt: “Laat je niet te veel afleiden door wat er nu makkelijk subsidiabel is.”

Bijna 250 MegaWatt aan aanvragen voor elektrische boilers in de subsidieregeling duurzame energie (SDE++) van 2022! Dat is mooi natuurlijk, en nog lang niet genoeg. Zo kan de industrie snel verder emissies reduceren, en elektrische boilers leveren flexibiliteit die nodig is om meer zonne- en windenergie in te passen. Sommige regionale ambtenaren vragen hun bedrijven dan ook al waarom ze nog niet een SDE-aanvraag voor een e-boiler hebben ingediend. Tegelijk, de elektrische warmtepompen blijven met 60 MW nogal achter, en zijn die dingen niet veel efficiënter dan elektrische boilers?

Een apparaat dat nu in de mode is, hoeft niet per se datgene te zijn dat cruciaal is om je bedrijf klaar te maken voor de toekomst

Eigenlijk moeten we natuurlijk helemaal niet naar die dagkoersen in de SDE++ kijken. Een apparaat dat nu in de mode is, hoeft niet per se datgene te zijn dat cruciaal is om je bedrijf klaar te maken voor de toekomst. Een bedrijf dat wil verduurzamen, zal zijn eigen pakket moeten samenstellen uit drie ingrediënten: het besparen van energie, het inzetten van duurzame bronnen en/of het vermijden van directe CO2-emissies. Die opties hebben een onderlinge samenhang (energie die je bespaart, hoef je niet meer op te wekken) en soms een logische volgorde in de tijd (om een warmtepomp te installeren moet je wellicht eerst energie-efficiënter worden zodat je machines kunnen werken met lagere temperaturen). En dan moet je ook nog een keer gewoon beginnen. Hoe doe je dat een beetje slim?

Gelukkig is het met enig gestructureerd nadenken best mogelijk om een goed plan te maken. Een organisatie als ISPT (ons aller Instituut for Sustainable Process Technology) denkt daar ook over na, en wij bij de NVDE ook. Je kunt een aantal logische stappen zetten om de noodzakelijke energie efficiënt in te zetten en om tot kosteneffectieve keuzes te komen.

  1. Begin met een analyse van het huidige proces: massabalansen, energiebalansen, noodzakelijke temperatuurniveaus per deelproces, waarbij ook de mogelijkheden voor de inzet van interne restwarmte zichtbaar worden. Desgewenst zelfs een ‘pinch analyse’, waarbij de hele warmtehuishouding van je productieproces in kaart wordt gebracht en restwarmtestromen inzichtelijk worden. Standaardvoer voor ingenieurs natuurlijk. maar tegelijk zult u er nog verbaasd over zijn bij hoeveel bedrijven dit soort informatie nog niet (volledig) in beeld is. Vaak is wel bekend hoeveel gas en elektriciteit er gebruikt wordt, maar waarvoor precies?
  2. Maak een overzicht van de marktvooruitzichten en de productieplannen voor de komende tientallen jaren. Welke producten wil je dan maken? Welke technologische ontwikkelingen zijn er om dezelfde (of andere) producten te maken? Bij voorkeur natuurlijk op een lager temperatuurniveau of met duurzamere hulpstoffen. Waar staat de fabriek over twintig tot dertig jaar? Jazeker, dit is een veel langere horizon dan waar marketeers en plantmanagers normaal gesproken in denken. Dat vereist dus de nodige mentale lenigheid. En wellicht ook scenario-denken: Maak maar een paar mogelijke ontwikkelpaden om de onzekerheden in kaart te brengen. En bega dan niet de doodzonde om ‘voor één scenario te gaan’, want je moet rekening houden met die onzekerheden en ze niet wegredeneren.
  3. Maak een ‘Utility Masterplan’: Welke installaties produceren nu de warmte, elektriciteit en andere energie, wat is hun staat en wat zijn de duurzame opties om ze te vervangen? Betrek daarbij ook de regionale (on)mogelijkheden. Is er potentieel voor bijvoorbeeld aardwarmte, levering of inkoop van restwarmte, beschikbaarheid van biomassa, et cetera. En wat valt er te zeggen over de ontwikkeling van de energienetten in de omgeving?
  4. Maak op basis van de informatie uit stappen 1-3 een verduurzamingskaart. Hoe gaat de noodzakelijke energiebehoefte ingevuld worden, en wat is het (transitie)pad daar naartoe? Daarbij horen natuurlijk een paar basisprincipes:
  • Hanteer de Trias Energetica, oftewel: kijk eerst hoe ver je kunt komen met energiebesparing, voordat je de resterende energievraag invult met duurzame bronnen, en waar dat nog niet mogelijk is, kan ‘schoon fossiel’ (met CO2-afvang) een rol spelen. En denk bij energiebesparing niet alleen aan efficiëntere technieken, maar ook naar vergaande thermische isolatie, want ook daar is nog steeds een wereld te winnen.
  • Ontwerp eerst elke installatie zo efficiënt mogelijk, daarna de integratie met de onderdelen er direct omheen, en dan pas de site als geheel.
  • Ook al blijft energie-analyse ontzettend ingewikkeld als je het precies wilt snappen, houd je aan een paar basisregels ervan. Restwarmtegebruik en warmtepompen zijn typisch opties om zoveel mogelijk in te zetten. Een e-boiler pas inzetten als de temperatuurniveaus daar echt om vragen. En waterstof: Alleen als de vraag bestaat uit heel hoge temperaturen én grote vermogens. En die vuistregels zijn onderhevig aan nieuwe ontwikkelingen. E-boilers komen nu ook al tot 300 graden en reken maar dat er over een tijdje ook warmtepompen zijn die op hoge temperatuurniveau warmte verder kunnen oppeppen.

Al met al vergt de verduurzaming van de industrie een weloverwogen ontwikkelpad, niet het snel gebruik maken van spiegeltjes en kraaltjes

Zo’n verduurzamingskaart moet natuurlijk regelmatig worden geüpdatet. De wereld verandert immers en dat geldt voor de marktomstandigheden van het bedrijf, kosten en prestaties van verduurzamingsopties én voor ontwikkelingen in de infrastructuur. Maar door hier planmatig over na te denken, is de kans dat je bedrijf een meer kosteneffectieve transitie door gaat maken een stuk groter dan wanneer je lukraak apparaten het bedrijf in slingert. Beginnen heeft zeker ook zijn waarde, dus ik zou zeker niet willen pleiten voor ‘nog één verdiepingsslag’ als excuus voor uitstel van actie. Maar er hoort wel een basisvisie achter te zitten.

Hoe zou een overheid bedrijven kunnen stimuleren om hun huiswerk te doen?

  • Wellicht is het te overwegen om ook voor andere SDE-opties dan CO2-opslag (CCS) te gaan werken met de ‘zeef’ die in het Klimaatakkoord voor deze techniek is geïntroduceerd. CCS-projecten komen alleen in aanmerking voor subsidie op plekken waar op dat moment geen aantoonbare kosteneffectieve alternatieven zijn. Wellicht kan daar in dit geval een analoog aan worden gevonden om te checken dat een aanvrager in elk geval een basisstrategie heeft doordacht.
  • Voor de netaansluiting kennen we voor zonne- en windenergie de transportindicatie al, die de kans vergroot dat een project ook kan worden aangesloten. Geen overbodige check bij elektrificatie van industriële processen, lijkt mij. Daarnaast zullen de nieuwe Non-Firm ATO’s (aansluitingen zonder altijd gegarandeerde beschikbaarheid) relevant worden, vooral voor e-boilers en andere systemen die flexibiliteit moeten leveren. Al is de vormgeving van die aansluitvorm nog niet zonder zorgen.

Al met al vergt de verduurzaming van de industrie een weloverwogen ontwikkelpad, niet het snel gebruik maken van spiegeltjes en kraaltjes die toevallig gemakkelijk in de SDE++-systematiek passen.

Samen columns maken is veel leuker! In deze zit een belangrijke inhoudelijke bijdrage van collega Tessa Hermens-van Ruremonde, programmaleider Industrie en Glastuinbouw bij de NVDE. En van Maurice van den Broek van ISPT. En dan heeft Jan Keenan van Eneco ook nog kritisch meegekeken. Op onwelgevallige meningen dient u nog steeds mij aan te spreken.

 

Deze column verscheen op 27 januari op Energiepodium: lees het artikel op Energiepodium hier.

Artikel delen?