“De energietransitie is in volle gang. De basis is gelegd, maar nu breekt een veel complexere fase aan”, stelt Tessa Hermens, Programmaleider Verduurzaming Industrie bij de NVDE. “De industrie staat voor ingrijpende keuzes, terwijl ook overheid en samenleving moeten bepalen welke rol zij de Nederlandse industrie in de toekomst toedichten.”
Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Beursspecial Nationale Energie Week 2026 van Gawalo. Klik hier voor de oorspronkelijke publicatie van het artikel en informatie over de beursspecial.
“Meer dan de helft van de elektriciteit die de industrie gebruikt, is inmiddels al groen en ook op moleculengebied (groene waterstof en groen gas, red.) is de start gemaakt. Maar de transitie is nog verre van voltooid. We bevinden ons momenteel op een kruispunt: het fossiele systeem blijkt kwetsbaar en het duurzame energiesysteem is nog in opbouw. Op zo’n kruispunt ontstaat onvermijdelijk chaos. Dat maakt deze fase complex, maar tegelijkertijd ook bepalend voor de richting die we als land kiezen. En dat is spannend”, begint Tessa Hermens, Programmaleider Verduurzaming Industrie bij de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE). De vereniging maakt zich sterk voor een energievoorziening die volledig is gebaseerd op hernieuwbare energie door het bundelen van krachten uit de gehele sector.
Complexiteit
Hermens gaat in op de complexiteit. “Bedrijven moeten hun CO₂-uitstoot fors terugdringen door over te stappen van fossiel naar duurzame alternatieven. Ze zijn verplicht om duurzame maatregelen te nemen die zich binnen vijf jaar – en mogelijk binnenkort binnen zeven jaar – terugverdienen. Ze hebben te maken met hoge energieprijzen, nationale en Europese wet- en regelgeving, internationale concurrentie en mogelijk netcongestie. Processen die erg hoge temperaturen eisen, zijn nog lastig te elektrificeren. Verduurzamen gaat met andere woorden vaak gepaard met onzekerheden en forse investeringen. Zonder een structurele vraag naar duurzame producten zijn deze investeringen nu nog niet altijd rendabel.”
‘Miss demand creation’
“Wat ik merk, is dat de maatschappij vooralsnog niet automatisch kiest voor groene producten. Daarom is vraagcreatie – het actief creëren van een markt voor duurzaam geproduceerde producten – essentieel voor de Europese concurrentiepositie en weerbaarheid. De Europese Commissie vindt het vooralsnog lastig om concrete maatregelen te nemen voor vraagcreatie, waarmee we de vraag naar groene producten laten stijgen. Het is een onderwerp dat momenteel ontzettend leeft en waar de NVDE samen met onder meer VNO-NCW de kar trekt”, aldus Hermens, die onlangs nog gekscherend werd uitgeroepen tot ‘Miss Demand Creation’ door de groep initiatiefnemers van dit pleidooi.
Heffingen
Het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM), een CO₂-heffing op geïmporteerde producten, kan als goed werkend beschermingsmechanisme een deel van de oplossing zijn in internationale concurrentie. Het is een middel om de Europese industrie te beschermen tegen concurrentie uit landen met minder strenge klimaatregels. “CBAM is nodig naast een ambitieus ETS om de negatieve effecten van een prijs op koolstof bij internationale concurrentie te mitigeren”, legt Hermens uit. “Aanvullend is vraagcreatie nodig als positieve stimulans voor duurzame producten. Imperfecties bij ETS en CBAM zullen bovendien minder heftig zijn als vraagcreatie dat afdekt. Voor sectoren als de staal- en cementindustrie zien we al een positief effect, maar het is essentieel dat hier meer sectoren onder komen te vallen, evenals de export van producten.”
“Het lijkt erop dat het voor burgers onvoldoende duidelijk is wat we aan de industrie hebben en wat het kan betekenen als die industrie verduurzaamt.”
Samenleving
Wat de transitie ook complex maakt, is de publieke opinie. “De samenleving kiest welke politieke partijen aan zet zijn en beïnvloedt daarmee natuurlijk ook de richting waarin wet- en regelgeving beweegt. Momenteel vinden de meeste Nederlanders het belangrijk dat Nederland blijft bijdragen aan de aanpak van klimaatverandering. Dat blijkt uit een publicatie van het Sociaal Cultureel Planbureau over hoe Nederlanders ontwikkelingen rond klimaat en energie ervaren en hoe zij aankijken tegen klimaat- en energiebeleid. Tegelijkertijd stelt dat onderzoek ook dat veel mensen het gevoel hebben dat grote bedrijven onvoldoende bijdragen aan de klimaatdoelstellingen, terwijl ze vinden dat de lasten relatief zwaar bij burgers terechtkomen. Veel burgers zijn overtuigd van het principe dat de vervuiler moet betalen. Politici staan daardoor voor een complexe opgave. Enerzijds moeten ze de industrie ondersteunen om de verduurzaming te versnellen, maar anderzijds moeten ze ook rekening houden met betaalbaarheid voor burgers, draagvlak in de samenleving en de belangen van andere sectoren. Ze moeten zoeken naar de juiste balans. Het lijkt erop dat het voor burgers onvoldoende duidelijk is wat we aan de industrie hebben en wat het kan betekenen als die industrie verduurzaamt.”
Flexibiliteit
Zitten we dan in een onmogelijke impasse? “Niet noodzakelijk. We merken dat steeds meer industriële bedrijven zelf initiatief nemen, bijvoorbeeld door flexibel om te gaan met elektriciteit. Dat helpt hun business vooruit, terwijl het ook iets kan betekenen voor de maatschappij. Bedrijven erkennen het belang van flexibiliteit en wisselen ervaringen uit over de manier waarop zij hun energieverbruik afstemmen op het aanbod van duurzame elektriciteit. Denk aan het anders inrichten van productieprocessen, de aanschaf van een elektrische boiler, het tijdelijk opslaan van energie in accusystemen of warmtebuffers of het gebruik van flexibele energiecontracten. Bedrijven kunnen daarmee niet alleen besparen op energiekosten, maar ook bijdragen aan het verminderen van netcongestie.”
Veranderd beleid
Ondertussen verandert ook het beleid. Zo wordt onder meer de energiebesparingsplicht herzien. “Daarin wordt gedacht aan het verruimen van de verplichting tot het nemen van energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van zeven in plaats van vijf jaar. Daarnaast worden de rapportageverplichtingen eenvoudiger voor bedrijven die al standaard energiebesparende maatregelen toepassen. Ook werkt de overheid aan een energiebesparingslening voor het mkb, waarmee ze eenvoudiger hun verduurzamingsinvesteringen kunnen financieren. Die maatregel zou het mkb enorm kunnen helpen.”
Rijdende trein
Maar zover zijn we nog niet. “In alle gevallen is het een goed idee om energie te besparen, voor kostenbesparing, het klimaat en voor netcongestie. Het is belangrijk dat de industrie niet gaat afwachten, maar op zoek blijft gaan naar kansen. Een mooi voorbeeld hiervan is de tendens om de samenwerking met andere bedrijven op te zoeken. Er worden steeds meer succesvolle energiehubs gerealiseerd.” Ook datacentra kunnen door samen te werken met andere partijen een waardevolle rol spelen in de energietransitie. “Door de opkomst van artificiële intelligentie neemt de vraag naar rekenkracht explosief toe, en daarmee ook het elektriciteitsverbruik. Datacentra krijgen daarom veel kritiek, maar ze kunnen uitgroeien tot een belangrijke schakel binnen het toekomstige energiesysteem. Hun grote elektriciteitsvraag maakt het mogelijk duurzame energie direct af te nemen. Ze beschikken over omvangrijke noodstroomvoorzieningen die het merendeel van de tijd niet worden gebruikt. Die voorzieningen – mits verduurzaamd – kunnen heel interessant zijn om het net te balanceren en wachtlijsten weg te werken. Verder is het niet ondenkbaar dat datacentra op zee worden gebouwd. Dat is vooralsnog toekomstmuziek, maar er zijn wel innovatieprogramma’s om dit verder te onderzoeken.” Ook de restwarmte van datacentra biedt kansen. “Moderne datacentra koelen steeds meer met vloeistof in plaats van lucht. Hierdoor komt warmte vrij op veel hogere temperaturen, soms tot wel 70 à 80 graden Celsius, die bovendien eenvoudiger is te transporteren en dus beter kan worden ingezet. Je krijgt hierdoor een win-win-win-situatie.”
“We moeten op zoek naar een goed evenwicht tussen stimulerend beleid, Europese samenwerking, marktprikkels en maatschappelijk draagvlak.”
Evenwicht
“We zijn in een complexe fase beland die duidelijke keuzes vraagt: van bedrijven, de overheid en de maatschappij. De industrie kan niet in haar eentje de extra kosten van verduurzaming dragen zonder haar internationale concurrentiepositie te verliezen en zonder afzetmarkt. Maar de overheid kan evenmin alle investeringen financieren. We moeten op zoek naar een goed evenwicht tussen stimulerend beleid, Europese samenwerking, marktprikkels en maatschappelijk draagvlak. De komende jaren zullen daarom bepalend zijn voor het industrielandschap. Dat de sector verduurzaamt en verandert, daar is geen twijfel over, maar hoe de verduurzamende industrie er over tien of vijftien jaar zal uitzien, is vooralsnog lastig te voorspellen.” Toch is Hermens hierover positief. “Nederland heeft sterke troeven in handen. We hebben een strategische ligging met een uitstekende haveninfrastructuur, een leidende positie in wind op zee en een hoogontwikkelde industrie. Die uitgangspositie biedt perspectief om ook in een klimaatneutrale economie een belangrijke industriële speler te blijven.”
