Reactie Regioteam Energietransitie op Ontwerp-Omgevingsvisie 2025–2050 Provincie Groningen
Het Regioteam Energietransitie, een samenwerking van de brancheverenigingen Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE), Energie-Nederland, Holland Solar, NedZero en Energy Storage NL reageert op een aantal keuzes die in de Omgevingsvisie worden gemaakt voor het toekomstige energiesysteem van de provincie.
Wij zien dat de provincie Groningen met haar ligging, kennis en infrastructuur een sleutelpositie inneemt in de Nederlandse energietransitie. De ontwerpvisie laat zien dat de provincie die rol erkent. Er is aandacht voor netversterking, waterstof, warmtenetten en strategische bedrijventerreinen zoals de Eemshaven en Oosterhorn. Dat zijn waardevolle fundamenten.
Toch valt op dat het beleid in zijn huidige vorm te sterk is gericht op de korte termijn. Richtlijnen die zijn gebaseerd op de RES-doelen tot 2030 schieten tekort voor de periode tot 2050. Als Groningen haar positie in de voorhoede wil behouden, vraagt dat om meer ruimte, meer flexibiliteit en een expliciete langetermijnvisie op duurzame opwek, infrastructuur en opslag.
In deze reactie benoemen wij eerst specifieke aandachtspunten bij de voorgestelde beleidskeuzes, gevolgd door een structureel aandachtspunt dat de gehele Omgevingsvisie raakt. Daarmee willen wij bijdragen aan een uitvoerbaar, toekomstbestendig en samenhangend energiebeleid voor de provincie Groningen.
Specifieke aandachtspunten
De keuze om hoogspanningsverbindingen in principe ondergronds aan te leggen (p. 35, 118– 123) verdient heroverweging. In de Ontwerp-Omgevingsvisie stelt de provincie dat deze verbindingen standaard verkabeld zullen worden, terwijl het Rijk in de Nationale Omgevingsvisie juist het uitgangspunt “bovengronds tenzij” hanteert voor 380- en 220 kV-verbindingen (p. 123). De provinciale keuze wijkt daarmee af van het nationale beleid. Ondergrondse aanleg brengt aanzienlijk hogere kosten, complex onderhoud en beperkte uitbreidbaarheid met zich mee. Storingen zijn moeilijker te verhelpen en toekomstige netuitbreidingen vergen meer tijd en geld. Deze benadering staat haaks op de ambitie van Groningen om een betaalbaar, robuust en toekomstbestendig energiesysteem te ontwikkelen. Hoogspanningsinfrastructuur zou daarom in principe bovengronds moeten worden aangelegd, evenals andere cruciale trajecten die essentieel zijn voor de energietransitie. Alleen bij zwaarwegende ruimtelijke of maatschappelijke redenen zou ondergrondse aanleg overwogen moeten worden.
De passage over vijftig procent nettowinst vraagt eveneens om nuance (p. 122). Een dergelijke verplichting is in de praktijk niet goed afdwingbaar en brengt aanzienlijke financiële risico’s met zich mee, waardoor projecten moeilijk van de grond komen. Wij adviseren daarom om vast te houden aan het streven naar vijftig procent lokaal eigendom, zoals ook in het Klimaatakkoord is opgenomen.
Dat vergroot het maatschappelijk draagvlak, terwijl een harde verplichting rond winstverdeling of eigendom de uitvoering juist belemmert. Door 50% lokaal eigendom als ambitie te formuleren, blijft er ruimte voor maatwerk en samenwerking zonder de voortgang van de energietransitie te vertragen.
De beperking van kleine windmolens tot een ashoogte van maximaal 15 meter (p. 16) is moeilijk te rechtvaardigen. De provincie stelt dat een grotere hoogte risico’s zou opleveren voor landschap, geluid en natuur, terwijl de extra opbrengst beperkt zou zijn. Die onderbouwing ontbreekt echter. In werkelijkheid neemt de efficiëntie van windmolens juist toe naarmate de hoogte toeneemt: op grotere hoogte zijn windsnelheden stabieler en hoger, wat leidt tot aanzienlijk meer energieopbrengst per turbine. Wanneer een turbine eenmaal is geplaatst, blijven de effecten op de omgeving grotendeels gelijk, terwijl de opbrengst substantieel stijgt. De ervaren overlast daalt vaak juist bij hogere windmolens, omdat de rotorbladen langzamer draaien. Ook zijn er relatief meer lagere windmolens nodig om dezelfde energieopbrengst te bereiken.
De keuze van de provincie om de nadruk te leggen op kleinschalige zonne- en windprojecten en eerst meer in te zetten op zon op dak is begrijpelijk (p. 122), maar vraagt om een realistische uitwerking. Het potentieel voor zon op dak is beperkt en de provincie heeft weinig instrumenten om dit daadwerkelijk te versnellen. Zonder duidelijke stimulering, monitoring en ondersteuning van gebouweigenaren is deze prioriteit vooral beleidsmatig, niet uitvoerend.
De verwijzing naar multifunctioneel ruimtegebruik is positief (p. 122), maar blijft te algemeen. Om dit beleidsvoornemen betekenis te geven, is het wenselijk om te specificeren wat hieronder wordt verstaan. Innovatieve concepten zoals agri-PV (de combinatie van zonnepanelen met landbouwproductie) en EcoCertified Solar Parks (de integratie van zonneparken met natuurontwikkeling) zijn concrete voorbeelden van multifunctioneel ruimtegebruik die bijdragen aan zorgvuldig ruimtebeslag en landschappelijke kwaliteit.
Ook het voornemen om bij de vervanging van windturbines strengere milieunormen te hanteren (p. 122), verdient heroverweging. Op landelijk niveau wordt al gewerkt aan geharmoniseerde milieukaders voor windenergie. Extra provinciale normen leiden tot onduidelijkheid en vertraging, terwijl landelijke kaders juist bedoeld zijn om rechtszekerheid en uitvoerbaarheid te bevorderen.
Ook de omgang met batterijopslag vraagt om meer ambitie. In de visie wordt opslag vooral gekoppeld aan zonneparken of XXL-bedrijventerreinen (p. 124), terwijl opslag evenzeer essentieel is bij windprojecten. Energieopslag is geen tijdelijke tussenoplossing, maar een structureel onderdeel van het toekomstige energiesysteem. Nu al moet rekening worden gehouden met de fysieke ruimte en regelgeving die dit vergt, zodat Groningen in de toekomst kan beschikken over een betrouwbaar en flexibel energiesysteem.
Verder verdient de warmtetransitie een bredere blik. De focus op isolatie en restwarmte is terecht, maar zonder warmteopslag blijft het systeem kwetsbaar en minder efficiënt. Door opslag standaard mee te nemen bij de aanleg van nieuwe warmtenetten (p. 120, 126), kan Groningen een voorbeeldfunctie vervullen in de ontwikkeling van robuuste, betaalbare en duurzame warmtesystemen.
Tot slot is de provinciale keuze om te sturen op milieugebruiksruimte (p. 43) op zichzelf waardevol, maar deze benadering zou nadrukkelijker moeten worden gekoppeld aan de energietransitie. Hernieuwbare energieprojecten hebben een ruimtelijk effect, maar leiden structureel tot minder milieudruk en meer leefbaarheid. Door energie expliciet te integreren in dit afwegingskader kan Groningen haar duurzaamheidsdoelen beter borgen.
Structureel aandachtspunt
Naast deze concrete verbeterpunten is er een fundamentele kwestie die bepalend is voor het succes van de energietransitie in Groningen.
Er bestaat namelijk een spanning tussen ambitie en instrumentarium. De provincie stelt dat energie leidend is bij ruimtelijke keuzes (p. 17, 27), maar beperkt tegelijkertijd de ruimte voor opwek, opslag en infrastructuur. Daarmee dreigt de uitvoering achter te blijven bij de ambities. Een visie die reikt tot 2050 zou niet moeten uitgaan van de beperkingen van vandaag, maar van de toekomstige energievraag en de ruimte die daarvoor nodig is. Dat vraagt om een duidelijke langetermijnrichting, waarin ook na 2030 voldoende aandacht is voor de verdere groei van duurzame opwek, opslag en netcapaciteit. De energietransitie stopt immers niet in 2030; de vraag naar duurzame energie zal juist blijven toenemen. Alleen met zo’n langetermijnperspectief kan Groningen haar positie als energieprovincie behouden en versterken.
Slotbeschouwing
De provincie Groningen heeft een unieke kans om haar positie koplopersrol verder te versterken. Dat vraagt om beleid dat niet alleen reguleert, maar ook mogelijk maakt. Door nu te investeren in verduurzaming, flexibiliteit en opwek, kan Groningen zich voorbereiden op de energiebehoefte van 2050 en heeft de provincie een schoon, betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem.
Wij waarderen de duidelijke richting die in de visie is gekozen, en roepen de provincie tegelijkertijd op om de langetermijnperspectieven explicieter te verankeren. Het Regioteam Energietransitie denkt graag mee over de verdere uitwerking van het Programma Energie, en brengt graag kennis en praktijkervaring in. Zo werken we samen aan een robuust, geïntegreerd en toekomstbestendig energiesysteem voor Groningen.
Met vriendelijke groet,
Susanna Stam
0623702583
Namens het Regioteam Energietransitie NVDE, Energie-Nederland, Holland Solar, NedZero, Energy Storage N
