Position papers

Eerste Kamer Positie NVDE ten aanzien van de Wet collectieve warmte

Positie NVDE ten aanzien van de Wet collectieve warmte – september 2025

Niet alle onderdelen van de energietransitie lukken even vlot. Terwijl al meer dan de helft van onze stroom hernieuwbaar wordt opgewekt en we Europees koploper zijn qua oplaadpunten voor elektrisch rijden per hoofd van de bevolking, blijkt de warmtetransitie taaier te zijn. De hoge gasprijs van de afgelopen jaren zorgde voor flinke besparing en aanvankelijk tot hoge verkoopcijfers voor warmtepompen, al loopt die vraag nu weer terug. De aanleg van warmtenetten blijft ver achter bij de ambities. Dat is ernstig, want de sterk fluctuerende gasprijs, die volgens het Haags Centrum voor Strategische Studie alleen nog maar zal toenemen, levert burgers veel onzekerheid op over hun energierekening. TNO en PBL voorzien een stijging van de import van gas van zeventig procent nu naar tachtig tot negentig procent over tien jaar.

Gebruik van warmte uit eigen land, individueel of collectief, maakt ons energieonafhankelijker. PBL-onderzoek laat zien dat 88 procent van de burgers minder afhankelijk wil zijn van andere landen voor energie. Terecht stelt de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw) dat het noodzakelijk is te sturen op meer energieonafhankelijkheid en diversificatie om zowel de betaalbaarheid van energie, als ook de leveringszekerheid ervan verder te borgen. Ook de Tweede Kamer bevestigde de noodzaak van minder energie-import ten behoeve van de warmtetransitie, zonder te tornen aan het ambitieniveau.

De NVDE is blij dat het wetsvoorstel in de Kamer ligt en zich daar nu over gaat buigen. Zo wordt de noodzakelijke duidelijkheid en perspectief geboden op een aantal belangrijke voorwaarden voor een voortvarende uitrol van warmtenetten. Om minder afhankelijk te worden van geïmporteerd gas, is er een doorbraak nodig om het huidige tempo van zo’n 15.000 nieuwe aansluitingen op collectieve warmtesystemen per jaar op te krikken. De breed gesteunde Warmtealliantie denkt rond 2035 onder de juiste randvoorwaarde tussen de 540.000 en 630.000 woningen op warmtenetten te kunnen aansluiten.

Nut en noodzaak van warmtenetten

In de warmtetransitie is het zaak de juiste techniek op de juiste plek gerealiseerd te krijgen. Individueel warmtepompen waar deze het beste passen en warmtenetten waar collectieve oplossingen maatschappelijk goedkoper zijn dan individuele, vooral in dichtbevolkte stadswijken. De diversiteit aan warmteoplossingen is groot: van grootschalige netten met diverse temperaturen en duizenden aansluitingen, tot kleine systemen die juist om maatwerk vragen.

  • Warmtenetten vormen, mits aangesloten op duurzame bronnen, een onmisbare schakel in de warmtemix. Zo ontsluiten ze het potentieel van de Hollandse bodem en water die vol duurzame warmte zitten. En dragen ze bij aan meer energieonafhankelijkheid en balans in het energiesysteem.
  • Ecorys liet in opdracht van Netbeheer Nederland de maatschappelijke meerwaarde van warmtenetten zien. Berenschot becijferde in opdracht van onder andere de NVDE voor de casus Den Haag dat warmtenetten voor de samenleving daar als geheel dertig procent goedkoper zijn dan allemaal individuele warmtepompen. Hoewel de mate van isolatie die som beïnvloedt, is de uitkomst exemplarisch voor andere dichtbevolkte stadswijken. Toch komt de warmtetransitie nog niet vlot van de grond.
  • Netcongestie is een probleem. Dit belemmert nu al woningbouw en bedrijvigheid, maar ook de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Netverzwaring is nodig, maar lukt niet overal tegelijk. Aanleg van warmtenetten op de juiste plekken kan helpen de gevolgen van de warmtetransitie op netcongestie te beperken.
  • Warmtenetten kunnen, door hun omvang, een belangrijke bijdrage leveren aan de wijkaanpak en de opschaling van de warmtetransitie.
  • Waar veel mensen dicht op elkaar wonen, zijn warmtenetten een goede oplossing in de strijd om schaarse ruimte. Zeker in kleine woningen of appartementencomplexen.

Marktordening

De leden van de NVDE appreciëren de keuze in de Wet collectieve warmte voor geïntegreerde warmtebedrijven met een verplicht publiek meerderheidsbelang sterk verschillend. Bij de publieke partijen bestaat waardering voor dit voorstel, onder andere vanuit de overtuiging dat dit model het best helpt aan betaalbare warmte, draagvlak onder afnemers en een integrale afweging van een nutsvoorziening. Met een verplicht publiek meerderheidsbelang kan gestuurd worden op een energietransitie tegen de laagste maatschappelijke kosten. Bij de private partijen leeft de overtuiging dat deze voorgestelde marktordening in strijd is met het EU-recht. Daarnaast biedt het wat hen betreft te weinig perspectief aan private bedrijven en financiers en gaat daarmee de investerings- en uitvoeringskracht sterk achteruit. We waarderen de positie die de wet geeft aan maatschappelijk initiatief om in de vorm van warmtegemeenschappen een rol te pakken in het speelveld en samen te werken met zowel publieke als private partijen. Zonder een positie in te nemen over de voorliggende eigendomskeuze hecht de NVDE eraan dat gemeenten zoveel mogelijk ruimte krijgen voor de door hun gewenste vruchtbare samenwerking met de verschillende partijen in het speelveld, om zoveel mogelijk verdere vertraging bij de realisatie van warmtenetten te voorkomen.

Balans tussen betaalbaarheid en investeerbaarheid

Als warmtenetten maatschappelijk gezien dikwijls zo goedkoop zijn, waarom komen zij dan niet van de grond? En gaat de Wet collectieve warmte daar verandering in brengen? Het eerdergenoemde onderzoek van Berenschot laat zien dat de maatschappelijke kostenbesparing onvoldoende terecht komt bij warmteklanten en warmtebedrijven. Nu hebben warmteklanten er vaak onvoldoende vertrouwen in dat hun energierekening betaalbaar blijft. Hierbij gaat het niet alleen om variabele kosten voor verbruik, maar ook om de hoogte van het vastrecht, de bijdrage aan de aansluitkosten en kosten die in de woning worden gemaakt. Het Hoofdlijnenakkoord heeft terecht oog voor de positie van warmteklanten. Tegelijkertijd is het evenzeer van belang dat warmtebedrijven (zowel publieke als private) in staat worden gesteld om hun investeringen in de uitbreiding en verdere verduurzaming van warmtenetten terug te verdienen. Deze investeringen betreffen niet alleen de kosten voor bronontsluiting, aanleg en exploitatie van de netten. Vaak wordt onderschat hoe hoog de inpandige kosten van aansluitingen zijn, deels ook voor de klanten zelf. In weerwil van het beeld dat op warmtenetten veel geld wordt verdiend, constateerde de ACM dat het afgelopen jaar een gemiddeld rendement van 1,03 procent op warmtenetten door warmtebedrijven is behaald. Dit rendement is niet toereikend voor een gezonde bedrijfsvoering op de langere termijn. Het gevolg is dat investeringen nagenoeg stilliggen. De Wet collectieve warmte regelt veel, maar helpt op dit moment nog onvoldoende zekerheid te bieden dat betaalbaarheid voor consumenten en investeerbaarheid voor warmtebedrijven in balans zijn. Daarmee lijkt een vorm van een garantie op de betaalbaarheid van warmte voor consumenten onontkoombaar en tegelijkertijd zal aan warmtebedrijven comfort gegeven dienen te worden (via o.a. aanpalend beleid en subsidies) dat een redelijk rendement haalbaar is voor het uitvoeren van hun wettelijke taken. Dat is echt nodig, want de investeringen in de bestaande bouw liggen momenteel vrijwel stil. De denkrichtingen van minister Hermans in haar brief over warmtenetten zijn in potentie overwegend goed, hoewel sterk gefocust op het investeringsbesluit zelf en de exploitatiefase en niet op de ontwikkelfase. Los van de verdere uitwerking van deze denkrichtingen moet de volgende stap zijn financiële dekking te vinden voor een vorm van prijsgarantie.

Warmtenetten hebben ook warmtebronnen nodig

De onzekerheid over de ontwikkeling van warmtenetten duurt al lang. Daardoor is ook stevige vertraging ontstaan bij de ontwikkeling van duurzame bronnen. Immers: een bron ontwikkelen heeft pas zin als er zicht is op afzet van de geproduceerde warmte. Bronontwikkeling en afname van warmte zijn aan elkaar gelieerd. Wij zien bijvoorbeeld nu al dat geothermieprojecten voor de gebouwde omgeving stil zijn gevallen doordat de ontwikkeling van netten stilliggen. Aansluitend op de Wcw is passend beleid en financieel instrumentarium nodig om de bijbehorende (grootschalige) warmteproductie tijdig en adequaat te kunnen ontwikkelen.

(Infra)kosten van warmtenetten

Net als voor andere apparaten of elektrische auto’s maken huishoudens voor een warmtepomp gebruik van het elektriciteitsnet dat we (om goede redenen) met zijn allen betalen. Gebruikers van warmtenetten betalen per project de kosten voor infra, behoudens subsidies, zélf. Dat bemoeilijkt de realisatie van warmtenetten omdat daarmee de betaalbaarheid voor bewoners moeilijker te halen is. Het ligt voor de hand om de (infra)kosten van warmtenetten (voor een groter deel) samen te betalen, op plekken waar het maatschappelijk voordeel evident is. Terecht erkent minister Hermans in haar brief over warmtenetten dat een investeringssubsidie als de WIS een belangrijke bijdrage kan leveren aan de financiële aantrekkelijkheid van warmtenetten. Het is zaak dat deze regeling zo ingericht wordt dat businesscases kunnen sluiten. Position Paper

CO₂-afbouwpad

Het is goed dat in de Wcw een wettelijke norm wordt vastgelegd voor de duurzaamheid van de geleverde warmte. Door deze norm echter per warmtekavel en per klein collectief warmtesysteem te stellen, creëert de Wcw een situatie waarin alle warmtesystemen (groot en klein) tegelijkertijd verduurzaamd moeten worden. Dit werkt kostenefficiëntie en daarmee lagere warmtetarieven niet per definitie in de hand. Niet alles kan namelijk tegelijkertijd en niet elke warmtebron is overal (nu al, voldoende duurzaam en tegen acceptabele tarieven) toepasbaar. Bovendien kent de ontwikkeling van grootschalige, duurzame bronnen gangbare doorlooptijden van 8 tot 15 jaar. Bij de keuze voor een normering per warmtekavel dienen daarom de ontheffingsgronden en de ontheffingstermijnen beter aan te sluiten bij deze weerbarstige praktijk.

Urgentie

Last but not least: bewoners zitten niet stil. Waar overheden dralen met het geven van duidelijkheid over de plek waar warmtenetten zullen worden ontwikkeld, maken burgers terecht hun eigen afweging. Wat helpt is als gemeenten vast aangeven waar in elk geval géén collectieve warmtesystemen komen en de warmteoplossing sowieso individueel is. Zorg dat gemeenten in 2026 hun warmteprogramma hebben opgesteld en zorg voor landelijke monitoring op de voortgang. Daarnaast ligt het niet voor de hand individuele oplossingen te subsidiëren op plekken waar er in de vorm van een investeringsbeslissing of gemeentelijk kavelbesluit al is besloten tot aanleg van een warmtenet. Het kabinet benadrukt keuzevrijheid voor burgers. Daartoe steunen we individuele oplossingen, maar zou ook moeten betekenen: Een warmtenet als aantrekkelijke keuze, waar dat kan. Hoe langer de onduidelijkheid over deze wet en flankerend beleid blijft bestaan, hoe kleiner de vijver wordt voor potentiële klanten van collectieve systemen. Burgers blijven immers niet eindeloos wachten op de aangeboden warmtenet-oplossing vanuit de gemeenten. Hoe dan ook is een spoedige behandeling van de Wet collectieve warmte in een ieders belang.