Position papers

Consultatiereactie NVDE- Regeling collectieve warmte

  1. Context

In het kader van de Wcw en het Bcw ligt nu de Regeling collectieve warmte ter consultatie. Met deze regeling worden onder meer een aantal aspecten van de tariefregulering fase 1 uitgewerkt, rekenregels voor de duurzaamheid van warmtebronnen voorgeschreven en voorschriften gesteld ten aanzien van de leveringszekerheid en consumentenbescherming. Verder worden voor diverse bepalingen uit de Wet collectieve warmte en het Besluit collectieve warmte voorschriften opgenomen over termijnen die gehanteerd dienen te worden.  Er is inmiddels ook een achtergrondnotitie van Lex Bosselaar en Mirjam Harmelink beschikbaar die nader ingaat op de rekenregels.

Veel zaken in de Regeling zijn uitvoeringstechnisch van aard, niet iets waar de NVDE zich als eerste mee bemoeit. Maar omdat ook uitvoeringstechnische rekenregels implicaties kunnen hebben voor de energietransitie geven we graag op dat onderwerp een paar punten mee. We hebben niet nader gekeken naar de andere onderdelen van de MR.

  1. Algemeen: (beleids)doelen die spelen bij de rekenregels

We gaan hieronder vooral in op de regels voor installaties die elektriciteit en warmte produceren; voor deze installaties is er veel interpretatieruimte omdat er niet één eenduidige methode is om tot een CO2-intensiteit te komen. Juist dan is het belangrijk om duidelijk voor ogen te hebben waar de regels voor dienen en welke beleidsdoelen spelen.

In het algemeen: het is cruciaal dat de komende decennia de rol van collectieve warmte toeneemt én dat de mix van bronnen verder wordt verduurzaamd. Dat brengt ons CO2-reductie voor onze klimaatdoelen; bovendien verhoogt het onze weerbaarheid omdat het onze afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele energie vermindert. Daarnaast is het voor de propositie richting de eindgebruikers van collectieve warmte van belang dat de CO2-reductie en de onderliggende rekenmethodes ook voor hen voldoende geloofwaardig zijn.

Wat ons betreft zijn de volgende overwegingen relevant bij deze rekenregels:

  • Ze moeten een voldoende prikkel bieden voor verdere verduurzaming van de bronnen
  • Ze moeten redelijkerwijs haalbaar zijn en geen technieken uitsluiten die nodig zijn
  • Ze moeten toegesneden zijn op verdere ontwikkelingen in het energiesysteem; dat betekent meer flexibilisering van de warmteproductie waar mogelijk, en grotere rol voor opslag, en ruimte voor installaties die elektriciteit en warmte produceren om piekvraag naar elektriciteit te bedienen en om met op- en afregelen lokale afname- en invoedingscongestie te helpen verminderen.
  • Ze moeten praktisch voldoende uitvoerbaar zijn en niet nodeloos ingewikkeld, zeker niet voor kleinere warmtebedrijven
  • Ze moeten voldoende voorspelbaar en stabiel zijn om warmtebedrijven voldoende investeringszekerheid te bieden, gezien de lange looptijd van investeringen in hun bronnen(mix)
  • Ze moeten transparant en onderling zo consistent mogelijk zijn: het moet duidelijk zijn op welke gronden de regel is zoals die is, zodat ook nieuwe technieken relatief makkelijk zijn toe te voegen in de systematiek.

Deze overwegingen staan deels op gespannen voet met elkaar. Dat geeft lastige afwegingen, ook bij ons. Daarbij dienen we vooral het einddoel voor ogen te houden: een sterk gegroeide collectieve en duurzame warmtesector, die een groot aantal huishoudens van schone, betrouwbare en betaalbare warmte voorziet.

  1. Toepassing van de DRP-methode bij e-boilers en warmtepompen

Artikel 2.21 geeft de rekenregel voor warmteproductie uit e-boilers en grootschalige warmtepompen. In de Nota van toelichting wordt hierbij aangegeven dat de DRP-methode toegepast (paragraaf 3.5 punt 1). Het valt ons daarbij op dat bij prijzen onder de DRP inderdaad wordt gerekend met de CO2-intensiteit van de dan marginale optie (hernieuwbare energie, CO2-intensiteit 0), maar dat bij prijzen boven de DRP wordt gerekend met de CO2-intensiteit van de gemiddelde productiemix. Dat lijkt ons inconsistent en leidt mogelijk tot dubbeltelling van CO2-vrij opgewekte elektriciteit.

  1. De rol van WKK’s zonder derving in het energiesysteem

Artikel 2.24 bevat de rekenregels voor CO₂-uitstoot en hernieuwbare energieproductie bij WKK’s zonder e-derving. Met deze rekenregel voldoet een warmtenet die (vrijwel) alleen door een WKK van dit type gevoed wordt al redelijk snel niet meer aan de norm in de Wcw. Wij zien dit als een gewenste stimulans om bij deze netten de bron te gaan diversificeren richting een mix met meer hernieuwbare bronnen. Tegelijk zullen er momenten zijn dat deze WKK’s nog steeds gewenst zijn in het energiesysteem, bijvoorbeeld bij een piek-warmtevraag, bij een sterke elektriciteitsvraag, of bij lokale netcongestie.

Wat ons betreft moet deze rekenregel ervoor zorgen dat WKK-netten wel worden gestimuleerd hun bronnen te diversificeren en duurzame bronnen te ontwikkelen, maar moet de aanscherping voldoende geleidelijk gaan om te zorgen dat warmtebedrijven dit met hun brondiversificering bij kunnen houden; daarnaast dient de piek- en systeemdienst van de WKK behouden te blijven. Ter illustratie: naar onze indruk kan een warmtenet met deze rekenregels nog steeds aan de norm voor 2030 voldoen met pakweg 20% productie uit de WKK, aanvullend op pakweg 80% overstap op een hernieuwbare bron als aquathermie of een lucht-waterwarmtepomp; ook zonder GvO’s in te hoeven zetten voor groen gas of groene elektriciteit.

  1. De rekenregel voor elektriciteitscentrales en AVI’s met aftapwarmte

Artikel 2.25 geeft de nieuwe rekenregel voor warmte uit elektriciteitscentrales en AVI’s met elektriciteitsderving. Een belangrijk verschil tussen een STEG en een AVI is dat een STEG primair energie produceert en die productie zal optimaliseren aan de hand van de omstandigheden in de elektriciteitsmarkt en de directe vraag naar warmte. Een AVI heeft als primaire functie het verwerken van afval en dat proces kan niet zomaar stilleggen. Daarom lijkt het ons logisch om apart naar beide technieken te kijken.

4a: Bij toepassing voor elektriciteitscentrales met aftapwarmte

Hierbij hebben we de volgende observaties:

  • De voorgestelde regel lijkt ons geschikt voor aftapwarmte uit STEGs. Een STEG staat namelijk vooral aan in uren dat de elektriciteitsprijs boven de DRP ligt. In die uren wordt gederfde elektriciteitsproductie, bij uitkoppeling van warmte, elders in het systeem met een gascentrale De huidige methodiek geeft dan een goed beeld van de bijbehorende emissies.
  • In uren met een elektriciteitsprijs onder de DRP maakt de centrale in principe verlies op de elektriciteitsproductie. Als de unit dan aan staat is dat primair voor de warmteproductie, min of meer zoals dat ook gaat bij WKK’s zonder derving. In die uren zouden de emissies dus ook volgens de rekenregel van Artikel 2.24 kunnen worden berekend. Dat maakt de regeling wel weer complexer, de huidige formule is ook werkbaar wat ons betreft.
  • De fractie fossiel hoort wat ons betreft niet thuis in deze vergelijking. Ook partiële inzet van biomassa of CCS doen in dit geval niet af aan de systeemeffecten van gederfde elektriciteitsproductie. Wanneer een centrale volledig emissievrij is door inzet van biomassa en/of CCS is deze benadering niet meer intuïtief en is het wellicht logischer om de geproduceerde (elektriciteit en) warmte als CO2-vrij te beschouwen.

4b: Bij toepassing voor AVI’s met tapwarmte

Zoals gezegd, een AVI draait primair om afval te verwerken; Bij die verwerking komt energie vrij, die kunnen we dan maar beter nuttig gebruiken. Vanwege deze maatschappelijke functie heeft een AVI minder ruimte om op de elektriciteits- en warmtemarkt te reageren dan een STEG.

Vanuit dat beeld hebben we een paar observaties bij de rekenformule voor AVI’s met aftapwarmte:

  • In de formule is de fractie fossiele emissie opgenomen. Dat is merkwaardig want die factor kan gebruikt worden bij aan ‘allocatie’ LCA-benadering. Maar de kern van de benadering in de regeling is ‘consequential’ LCA. Op deze manier wordt de methode dus nogal hybride.
  • De formule rekent met één CO2-intensiteit voor gederfde elektriciteitsproductie over alle uren. In de huidige elektriciteitsmarkt is dat lang niet altijd meer het geval: er zijn ook legio uren waarin een hernieuwbare, CO2-vrije techniek de marginale optie in de merit order is. Bovendien is er in de elektriciteits- en warmtemarkten steeds meer behoefte aan flexibiliteit en bijbehorende stimulansen.

Een relatief eenvoudige aanpassing die tegemoet komt aan het eerste punt hierboven is door in plaats van met de CO2-intensiteit van een gascentrale1 te rekenen met de CO2-intensiteit van de gemiddelde elektriciteitsmix, en tegelijk de factor ffossiel uit de vergelijking weg te halen. Die aanpassing doet echter geen recht aan het tweede punt.

Een alternatief voorstel dat tegemoetkomt aan alle drie punten en daarmee beter is toegesneden op de toenemende behoefte aan flexibiliteit maakt gebruik dan de DRP-methode, die in het wetsvoorstel ook al wordt toegepast voor elektrische warmte uit bijvoorbeeld e-boilers. Bij die benadering ziet de vergelijking er als volgt uit.

Gedurende de uren dat de marktprijs hoger is dan de dynamische referentieprijs:

Waarbij het warmtebedrijf in de formule van WPaftap kan aftrekken de warmte die in de warmtekavel is geleverd op de momenten waarop de prijs van elektriciteit lager ligt dan de dynamische referentieprijs.

Deze DRP-methodiek biedt een bredere toepasbaarheid voor de beoordeling van de duurzaamheid van warmte maar ook extra uitvoeringslasten, die tegen elkaar afgewogen moeten worden. Voor kleinere warmtebedrijven kan een vereenvoudigde methodiek passend zijn, zodat disproportionele administratieve lasten worden voorkomen zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van de regeling. Daarbij dient er ook voor kleine warmtebedrijven wel voldoende prikkel voor verduurzaming te volgen uit de gekozen rekenmethode.

Overigens, wat betreft de positie van AVI’s hierbij: deze installaties zijn in de eerste plaats op de wereld om met zoveel mogelijk terugwinning van energie restafvalstromen te verwerken, dat is een belangrijke maatschappelijke functie. Er is uiteraard een wens om het ontstaan van afval en de verbranding ervan te voorkomen door meer in te zetten op preventie en circulariteit. Daardoor zal de beschikbaarheid van restafvalstromen voor AVI’s in de komende decennia waarschijnlijk verder afnemen. Maar dat is een ander beleidsterrein (met bijbehorend instrumentarium) dan dat waar de Wcw over gaat. We houden die terreinen bij voorkeur gescheiden. Het is wel van belang dat dit beleid voldoende ver vooruit kijkt: de ontwikkeling van alternatieve duurzame warmtebronnen duurt al gauw zo’n 7 tot 10 jaar.

De rekenregel voor AVI’s met derving moet dan ook een evenwichtig beeld geven van de duurzaamheid van de te leveren warmte uit het primaire proces van de AVI’s (het verwerken van afval) zodat inzet van beschikbare AVI-warmte in warmtenetten kan worden afgewogen tegen de duurzaamheid van andere mogelijke hernieuwbare warmtebronnen. De DRP-methode is hier wat ons betreft nuttig om te zorgen dat zij een extra prikkel hebben om met warmte-opslag de productie en levering van warmte (deels) te ontkoppelen. Zo kunnen ze effectiever inspelen op wat er in de elektriciteits- en warmtemarkt gebeurt en een bredere rol spelen in het energiesysteem. Met het verwachte aantal (toekomstige) uren boven de DRP en de daaruit volgende gemiddelde CO2-intensiteit van warmte uit AVI’s kunnen warmtenetten nog steeds gebruik maken van een deel van de beschikbare AVI-warmte.

  1. Commentaar bij het achtergrondrapport

Formeel is het achtergrondrapport van Bosselaar en Harmelink geen onderdeel van de consultatie. Maar we stuiten hier op het volgende. Op pagina 23 staat: “De verwachting is dat ten gevolge van de bijmengverplichting voor groen gas de prijs van groen gas GvOs stijgt en dat daarmee het toestaan van de inzet van voor vergroening van aardgasinzet leidt tot additionele productie. Dit zijn GvOs die niet worden ingezet voor de bijmengverplichting.” Deze zin kunnen wij lastig duiden. Omdat we begrijpen dat dit een parafrasering is van een keuze van het ministerie geven we het volgende mee:

  • Voor het voldoen aan de Bijmengverplichting mag alleen gebruik worden gemaakt van niet-gesubsidieerde GvO’s voor groen gas. De prijs van deze GvO’s zal structureel beduidend hoger liggen dan die van gesubsidieerde GvO’s voor groen gas.
  • Wanneer deze subsidievrije eis niet wordt gesteld aan de inzet van groengas-GvO’s in piekketels ontstaat er een extra vraag naar gesubsidieerde GvO’s voor groen gas. Maar omdat bij deze GvO’s het grootste deel van de onrendabele top wordt gedekt uit SDE-subsidie lijkt ons dat het effect hiervan op additionele productie beperkt zal blijven.