De toekomst is ook al niet meer wat ‘ie geweest is

26 mei 2026

In een recente column op Energiepodium spreekt Martien Visser de hoop uit dat de aankomende actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem een heldere keuze maakt voor hybride verduurzamingsroutes die de inzet van elektronen en moleculen combineren. Marc Londo ziet echter dat in de toekomstramingen voor 2050 van het afgelopen decennium de rol van elektriciteit alleen maar groter is geworden. Onzekerheden zijn er zeker nog; daar hebben we mee te dealen.

In discussies over de lange-termijn toekomst van onze energiehuishouding hebben analisten het veelvuldig over de verhouding tussen ‘elektronen’ (de rol van directe elektrificatie) en ‘moleculen’ (de rol van waterstof, methaan en andere koolwaterstoffen) in het verduurzamen en klimaatneutraal maken van ons energie- en grondstoffensysteem. Dat is niet zo gek: de mate waarin we van die twee routes gebruik maken heeft nogal impact op hoe energieproductie en -infrastructuur eruit gaan zien en wat de eindgebruikers moeten doen. De recente column van Martien Visser over dit onderwerp is dan ook een lezenswaardige nieuwe duit in een inmiddels goed gevuld zakje. Hij stelt daarin dat we het ons niet meer kunnen permitteren om een keuze voor ons toekomstige energiesysteem verder uit te stellen, en dat we inmiddels wel kunnen raden dat de meest kosteneffectieve strategie is om eindgebruikers blijvend te voorzien van elektriciteit én waterstof (of een andere moleculaire energiedrager). Dat lijkt me een boodschap die op z’n minst een paar kanttekeningen verdient.

Laat ik bij het tweede punt beginnen: het pleidooi voor het structureel ‘hybridiseren’ van eindgebruikers, dus blijvend bij dezelfde aangeslotene stroom én duurzaam gas aanleveren. En nemen we het voorbeeld van de gebouwde omgeving, waar Visser ook aan refereert. De geactualiseerde Startanalyse van PBL geeft, net als de eerste versie, ruwweg gelijke verhoudingen in het aantal huishoudens dat het meest kosteneffectief kan worden verduurzaamd via de all-electric warmtepomp, via warmtenetten of via de hybride warmtepomp met een klimaatneutraal gas: elke techniek zorgt voor verwarming van ongeveer een derde van de huizen. Oftewel: er zijn volgens die analyse aardig wat woonwijken waar de all-electric warmtepomp de meest aangewezen route is en een aanvullende gasaansluiting niet meer nodig is. Natuurlijk is er wel een gevoeligheidsanalyse te bedenken waarin dat aandeel terugvalt ten gunste van de hybride warmtepomp, bijvoorbeeld als je een groot aanbod aan goedkope waterstof en groen gas aanneemt, maar het aanbod van die gassen kan ook tegenvallen. Ik hoop er zeer op, maar we moeten nog zien in hoeverre het lukt om in de techniek van groengas- en waterstofproductie dezelfde spectaculaire kostenreducties te halen die we de afgelopen jaren in wind, zon en batterij-opslag hebben gezien. En de producenten van all-electric warmtepompen zitten ook niet stil. De Startanalyse is bijvoorbeeld nog conservatief op de all-electric warmtepomp omdat hij voor deze systemen uitgaat van een maximum-afgiftetemperatuur van 55 graden, terwijl de nieuwe generatie warmtepompen inmiddels 65-70 graden haalt en daarmee het aandeel van deze optie in de meest kosteneffectieve mix mogelijk vergroot. Datzelfde geldt voor de industrie: de temperatuurniveaus die industriële warmtepompen halen zijn door innovatie de afgelopen jaren structureel omhooggegaan.

“Onze verwachtingen over de balans tussen elektronen en moleculen in ons energiesysteem zijn de afgelopen jaren dus behoorlijk in de richting van elektriciteit opgeschoven”

Het effect van dit soort ontwikkelingen is ook terug te vinden in de verschillende scenario’s die de netbeheerders de afgelopen tien jaar hebben gemaakt om een klimaatneutraal energiesysteem in 2050 te verkennen. We zitten inmiddels aan de vierde generatie: Onder auspiciën van Netbeheer Nederland zijn dit soort scenario’s gepubliceerd in 202520232021 en 20171. Door de tijd heen zien we dat het verwachte aandeel elektriciteit in het finale energieverbruik in 2050 in deze studies behoorlijk is gestegen: van gemiddeld nog geen twintig procent in de studie uit 2017 naar gemiddeld bijna de helft in de studie uit 20252. Scenario’s vertellen ons natuurlijk vooral wat deskundigen in een bepaalde tijd dachten en verwachtten: onze verwachtingen over de balans tussen elektronen en moleculen in ons energiesysteem zijn de afgelopen jaren dus behoorlijk in de richting van elektriciteit opgeschoven. De rol van moleculen als flexibele alleskunners hoeven we daarmee niet weg te praten, maar dat hybridisering overal de norm gaat worden betwijfel ik zeer.

Dan het tweede punt: wordt het tijd voor een keuze? ‘Wat is nou het scenario waar we voor gaan?’ vind ik altijd een tamelijk ongepaste vraag in een gesprek over scenario’s’. Die dingen zijn immers bedoeld om op een systematische wijze onzekerheden te verkennen en die te vertalen in consistente verhaallijnen, liefst allemaal ongeveer even waarschijnlijk. Nu mogen we natuurlijk hopen dat we, naarmate de jaren vorderen, scherper in beeld krijgen hoe ons energiesysteem in 2050 eruit ziet. Wat dat betreft vind ik de ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar lastig te duiden. Ook als ik naar de scenario’s van Netbeheer Nederland kijk. Laten we eens aannemen dat de bandbreedte tussen de scenario’s met het hoogste en het laagste aandeel elektriciteit een ruwe indicatie is voor de onzekerheid die de experts hier inschatten. Die bandbreedte was in 2017 zeven procentpunten, in 2021 tien, in 2023 achttien en in 2025 acht2 procentpunten. Niet makkelijk om daar een convergerende trend in te ontdekken. En dan heb ik het nog niet over de ontwikkelingen in de onderliggende sectoren, die ook tegengesteld kunnen zijn.

“Neem industriële elektrificatie: als de onzekerheden in de nettarieven momenteel dermate hoog zijn dat ze private investeringen belemmeren is dat een ongewenste rem op de energietransitie”

Moeten we ons daardoor laten verlammen, of geforceerd een keuze maken? Geen van beide, zou ik zeggen. Een scenario ‘kiezen’ is kunstmatig en negeert de onzekerheden die er nog zijn, zeker voor een open economie als de onze. Verlamming is niet nodig: het is vooral zaak om in onze ontwikkelstrategie zo goed mogelijk rekening te houden met die onzekerheden. Een paar toverwoorden:

  • Adaptief programmeren. Dat is een duur en abstract woord voor flexibiliteit in je plannen inbouwen zodat je ruimte houdt om later nog van koers te veranderen. Een paar voorbeelden: in matig geïsoleerde woningen die nu een hybride warmtepomp hebben genomen is het best nuttig om de komende tien jaar de isolatiegraad verder te verbeteren. Afhankelijk van de inzichten over pakweg 15 jaar wordt dan de volgende warmtepomp een hybride of een all-electric. Omgekeerd kan ik me best voorstellen dat we bestaande aardgasleidingen nog even laten liggen in bestaande wijken die al (bijna) geheel van het gas af zijn. De optiewaarde die dat net heeft, hoef je niet meteen uit de grond te trekken.
  • Strategisch overplannen, realistisch ontwikkelen. Ik denk dat de NBNL-scenario’s vooral geschikt zijn om de extreme punten in de verre toekomst een beetje af te bakenen. Als we dan willen dat de infrastructuur in al die mogelijke toekomsten niet de beperkende factor is, moeten netbeheerders nu in elk geval plannen maken om het hoogste aandeel elektriciteit én het hoogste aandeel moleculen uit de verschillende scenario’s voor te bereiden. Tegelijk: papier is geduldig: uit de pool aan plannen en ruimtelijke reserveringen die voor deze extremen gemaakt zijn, kunnen in latere jaren de projecten worden gerealiseerd die met voldoende zekerheid nodig zijn.
  • Onzekerheden socialiseren. Neem industriële elektrificatie: als de onzekerheden in de nettarieven momenteel dermate hoog zijn dat ze private investeringen belemmeren is dat een ongewenste rem op de energietransitie. De overheid kan dan dit risico overnemen door bijvoorbeeld in de SDE++ van jaar op jaar te corrigeren voor onverwachte ontwikkelingen in het nettarief. Dat maakt de onzekerheden niet kleiner maar legt ze wel bij een partij die ze in dit geval beter kan dragen.

Intussen schrijdt de tijd voort en zullen we met alle slimmeriken die aan scenario’s werken de onzekerheden richting 2050 heus wel wat kleiner weten te krijgen in de loop der jaren. En dan hoop ik dat Martien en ik op 1 januari 2050 samen een stevige borrel kunnen drinken op het klimaatneutrale Nederland waar we dan in wonen.

Deze column van Marc Londo (NVDE) verscheen op 26 mei 2026 op Energiepodium


Misschien ook interessant