Position papers

Zienswijze Regioteam – Ontwerp-Omgevingsvisie Provincie Noord-Holland

Het Regioteam Energietransitie (hierna: Regioteam), een samenwerkingsverband van de NVDE, Energie-Nederland, Holland Solar, NedZero en Energy Storage NL, heeft met belangstelling kennisgenomen van de Ontwerp-Omgevingsvisie Provincie Noord-Holland. Het is goed dat in de inleiding van het document duidelijk wordt gesteld dat Noord-Holland wil bijdragen aan Europese autonomie en de ambitie om weerbaarder te zijn door de eigen opwek van energie. Ervan uitgaande dat daarmee duurzame energie bedoeld wordt, krijgt de energietransitie daarmee terecht een plek in het hart van deze Omgevingsvisie. Het uitgangspunt om méér te sturen vanuit netwerken (in andere woorden en betrekking hebbend op onze sector: méér energieplanologie) vinden wij verstandig. Echter: deze ambities worden lang niet overal in de Ontwerp-Omgevingsvisie consequent doorvertaald.

Duurzame energiewinning met veel opwek en productie in eigen land vraagt meer ruimte dan een fossiel systeem met veel import. Waar energie vroeger vooral van onder de grond kwam, is het nieuwe systeem (naast ondergronds) voor een groter deel ook bovengronds zichtbaar. Dat geldt ook voor het uitgebreidere transportnetwerk. Batterijen, elektrolysers, geothermie-installaties, transformatiehuisjes, windmolens: het vraagt allemaal ruimte. En daar zie je er wat van.

Het is zaak dat het energiesysteem steeds meer een integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening wordt. In het verleden is er niet altijd even kritisch gekeken waar bepaalde assets in het energiesysteem terecht kwamen en niet of dat ook binnen het systeem de meest logische plekken waren. Evenmin waren de noden en mogelijkheden van het energiesysteem zelf bij het plannen van energievragers vaak leidend. Bij toenemende schaarste van ruimte (en netcapaciteit) kunnen we ons dat niet langer permitteren. Vaker dan voorheen moeten de kansen en beperkingen van het energiesysteem leidend zijn bij ruimtelijke keuzes.

Onze belangrijkste toetssteen bij het appreciëren van deze Omgevingsvisie is de vraag hoe deze behulpzaam is bij het faciliteren van de energietransitie, zodat we ons land optimaal kunnen inrichten om snel onafhankelijker te worden van geïmporteerde fossiele energie. We geven graag de volgende suggesties mee:

Er valt méér te kwantificeren dan nu gebeurt

Hoewel uiteraard niemand met zekerheid kan weten hoe de elektriciteitsvraag in Noord-Holland zich exact zal ontwikkelen en energiebesparing terecht prioriteit krijgt, staat vrijwel vast dat deze zal stijgen. CE schreef daarover in een recente studie: “Ontwikkelingen in het verwachte energieverbruik laten zien dat de vraag naar elektriciteit (en transportcapaciteit op het net), waterstof en warmte in Nederland de komende decennia zeer sterk zal toenemen. Voor Noord- en Zuid-Holland zien we in de Netbeheer Nederland-scenario’s zowel voor elektriciteit, waterstof als duurzame warmte in absolute zin de grootste toenames in de energievraag”.

In de vraag zal moeten worden voorzien. Omdat zeker niet alle stroom van zee zal komen, ligt een sterke doorgroei van wind en zon op land na 2030 in het verschiet. Het geactualiseerde Nationaal Programma Energiesysteem zal daar dit najaar exacter uitsluitsel over geven, maar de vigerende versie daarvan gaat uit van een verdubbeling van wind op land en een verdrievoudiging van zon na 2030. In de wetenschap dat Noord-Holland ver achterligt bij haar zelf gestelde RES-doelen voor 2030, is het evident dat er véél meer locaties nodig zijn voor decentrale opwek, dan nu beschikbaar.

Wij raden in de omgevingsvisie te kwantificeren welke potentie de gereserveerde gebieden voor de opwek van zon en wind bieden en in hoeverre deze past bij de geprognotiseerde groei. Dat geldt evenzeer voor de opwek van groene waterstof en duurzame warmte.

Trek consequenties uit keus voor onderscheid tussen centraal en decentraal systeem

We steunen het onderscheid dat gemaakt wordt tussen het centrale en decentrale energiesysteem. En ook de ruimtelijke consequentie, dat energie-intensieve activiteiten geclusterd worden nabij centrale systeem. In dat licht valt niet goed te begrijpen waarom er wordt gesteld “Vooralsnog (…) terughoudend te zijn met nieuwe grootschalige opwek op land buiten de RES-afspraken”. Opnieuw: De RES-doelen worden nu al niet gehaald. En het is evident dat er de komende decennia grootschalige vraag zal ontstaan door woningbouw en bedrijfsontwikkeling. Deze terughoudendheid past daar niet bij, eens temeer omdat de RES-afspraken maar tot 2030 lopen. Immers, zeker zolang er netcongestie is (en die blijft er nog wel even) zullen er zonder extra energieproductie nauwelijks ontwikkelingen mogelijk zijn.

Dat geldt evenzeer voor decentrale productie. Links en rechts wordt er in de visie gesteld dat vraag en aanbod bij elkaar moeten worden gebracht wat betekent dat er ook op decentraal niveau energie geproduceerd moet worden, maar het uitgangpunt dat zulks dan ook in principe mogelijk moet zijn, ontbreekt.

Wij raden aan het uitgangspunt dat er buiten de RES-afspraken geen grootschalige opwek op land mogelijk is te schrappen.

Wij raden aan het uitgangspunt te verankeren dat decentrale duurzame opwek en opslag in principe mogelijk gemaakt moet worden, waar de te verwachte vraagontwikkeling het aanbod overstijgt.

Optimaal benutten van netten betekent ook: ruimte creëren voor aanbod

Het is logisch en verstandig dat in de Omgevingsvisie wordt ingezet op optimaal gebruik van netten. Dat kan echter ook betekenen dat het logisch is ruimte te creëren voor opwek op plekken waar veel vraag is en nog ruimte op het net voor aanbod, zoals in de omgeving van Amsterdam. In dat licht bezien was het bijvoorbeeld niet erg logisch dat de provincie geen verklaring van geen bezwaar afgaf bij een windproject bij de NoorderIJplas.

Wij raden aan om bij de ambities om het net optimaal te gebruiken toe te voegen, dat de ruimtelijke consequentie hiervan is dat er locaties gevonden moeten worden om extra decentrale duurzame opwek te realiseren.

Sluit nuttige toepassingen van systeembatterijen niet te snel uit

Het is goed dat Noord-Holland als één van de eerste provincies een ruimtelijke kader aangeeft voor het plaatsen van batterijen. Opslag van elektriciteit is een cruciale schakel in de energietransitie en kan een belangrijke rol spelen bij het verzachten van netcongestie. De markt heeft baat bij duidelijkheid over de voorwaarden. De tot dusverre gemaakte keuzes rond grootschalige opslag zijn goed navolgbaar, maar te restrictief voor wat betreft het verbod op plaatsing van batterijen rond 150 kV stations in beschermde landschappen. Het is niet verstandig die optie nu al te verbieden. Juist op dit spanningsniveau doet veel van de regionale congestie zich voor. Systeembatterijen bij 150 kV stations kunnen ook als congestieverzachter optreden en effectief bijdragen aan het ontlasten van het net, het benutten van lokale flexibiliteit en het voorkomen van onnodige transport over het hoogspanningsnet. Er zij op gewezen dat Flevoland deze lijn kiest in haar beleid rond batterijen en juist ruimte geeft bij 150 kV stations.

Wij raden aan om nuttige toepassing van systeembatterijen bij 150 kV stations niet op voorhand onmogelijk te maken. Dat geldt ook voor (het uitbreiden van) transformatorstations: belemmer deze niet op voorhand in beschermde landschappen.

Kans: dubbel ruimtegebruik

In de visie wordt slechts een enkele keer gesproken over de kansen die dubbel ruimtegebruik biedt. Vreemd: bij schaarste van ruimte zullen we moeten leren de beschikbare ruimte te delen. De duurzame energiesector is daaraan gewend. Zonneparken worden gecombineerd met natuurfuncties. Windmolens worden goed ingepast of (net als infra) onderdeel van industriële landschappen.

Maar dit staat onder druk. Neem zon op land. Eind 2023 beschikte toenmalig minister De Jonge dat zon op landbouwgrond in principe niet meer zou worden toegestaan. De Provincie Noord-Holland maakte goed gebruik van de uitzonderingsgronden, waardoor onder meer agri-PV mogelijk blijft. Toch kiest een enkele Noord-Hollandse gemeente er nu al voor ook deze optie helemaal te verbieden. Een ander voorbeeld is wind op bijvoorbeeld een bedrijventerrein, waar deze landschappelijk nauwelijks impact hebben. Ook voor wind geldt dat er meer en meer Noord-Hollandse gemeenten zijn die deze techniek categorisch uitsluiten.

Wij raden aan de noodzaak om ruimte dubbel te gebruiken ten bate van de energietransitie stevig in de visie te verankeren.

Goed dat provincie zich actief opstelt in warmtetransitie

We juichen het toe dat de provincie vasthoudt aan haar actieve rol in de warmtetransitie. Het is zinvol dat kleinere gemeenten ondersteuning krijgen en houden bij deze complexe opgave. Het is ook goed dat de provincie collectieve warmte stimuleert waar dit maatschappelijk het beste alternatief is. Ruimtelijke aspecten kunnen in die afweging zeker een rol spelen. Het is denkbaar dat de provincie nog een rol gaat spelen bij de realisatie en/of exploitatie van systeemleidingen.

Ook groen gas is hard nodig in de warmtetransitie. De Omgevingsvisie refereert aan mogelijke locaties voor opwek in Den Helder en de Boekelermeer, maar uiteraard is het zaak ook elders in de provincie (kleinschaligere) locaties te vinden voor opwek. Dat is des te meer van belang, omdat lokaal draagvlak voor bijvoorbeeld mestvergisting geen vanzelfsprekendheid is.

Hoewel de Omgevingsvisie genoeg oog heeft voor het ruimtebeslag van de opslag van energie in het algemeen, en waterstof en elektriciteit in het bijzonder, wordt de opslag van warmte nergens expliciet benoemd, behalve in relatie tot grondwater. Doe dat wel.

Wij adviseren in de Omgevingsvisie op te nemen dat de provincie de optie beziet of een rol bij de realisatie en/of exploitatie van systeemleidingen meerwaarde heeft.

Wij adviseren in de Omgevingsvisie nadrukkelijker aandacht te besteden aan de ruimte te nodig is voor decentrale opwek van groen gas.

Wij vragen om nut en noodzaak van de opslag van warmte en de benodigde ruimte daarvoor expliciet te benoemen.

Zet datacenters in voor de energietransitie

Datacenters leggen uiteraard een flink beslag op de transportcapaciteit op een toch al vol net. Tegelijkertijd neemt de belangstelling toe voor de positieve rol die datacenters kunnen spelen in het energiesysteem. De energietransitie heeft belang bij hun constante vraag naar duurzame energie: deze kan als kickstarter voor wind op zee fungeren en de prijs daarmee omlaag brengen. In de Omgevingsvisie wordt ook gewezen op de duurzame restwarmte die datacenters kunnen leveren. Minder aandacht is er nog voor de rol die de back-ups van datacenters kunnen spelen bij het opvangen van vraagcongestie, als deze daarvoor zouden kunnen worden aangewend. Des te interessanter wordt die optie als back-ups, zeker van nieuwe datacenters, bijvoorbeeld op waterstof zouden draaien.

Wij raden aan de positieve rol die datacenters kunnen spelen in de energietransitie nadrukkelijker op te nemen, gekoppeld aan de intentie deze randvoorwaarden stevig te verankeren in afspraken en beleid.

Milieugebruiksruime en tijdige aansluiting op infra

De komende jaren zal er fysieke ruimte nodig zijn voor CO2-vrije flexibele elektriciteitsproductie. Dat zal waarschijnlijk gaan gebeuren in groen gas, waterstof- of biomassacentrales. Voor een mogelijke investering in deze en andere relevante technieken is een ruimtelijke reservering alleen niet voldoende: Er moet ook emissie-ruimte naar lucht en water vergund kunnen worden.

Ook moet er tijdig ruimte op de stroom- en gas- of waterstofnetten aanwezig zijn. De noodzaak van milieugebruiksruimte en tijdige aansluiting op infra geldt ook voor andere, relatief nieuwe assets in het energiesysteem, als elektrolysers of opslag van warmte of duurzame gassen. Een erkenning van de noodzaak van milieugebruiksruimte voor deze cruciale technieken zou welkom zijn.

Erken de noodzaak van milieugebruiksruimte voor CO2-vrije flexibele elektriciteitsproductie en infra en geef concreter aan hoe hier uitvoering aan kan worden gegeven.

Doorlooptijden

Ruimtelijk beleid kan niet los gezien worden van de uitvoeringspraktijk. Duurzame energie(infra)projecten worden geplaagd door erg lange doorlooptijden. Een voorbereidingstijd van zes tot acht jaar, bij een realisatietijd van twee jaar is vrij gebruikelijk, maar uiteraard echt uit balans. Een bruikbare suggestie wordt gedaan in het rapport Kantelpunt voor klimaat en industrie van de overlegtafel CO2-heffing: het 2×2 principe, twee procent ruimte reserveren voor de energietransitie én het uitgangspunt bij vergunningverlening wordt ‘twee jaar praten, twee jaar bouwen’.

We vragen u in de Omgevingsvisie de noodzaak vast te leggen om de doorlooptijden van duurzame energie(infra)projecten drastisch te verkorten, voorzien van een agenda hoe de provincie daar een bijdrage aan kan leveren.