Tweede Kamer over ontwerp-Klimaatakkoord

Afgelopen dinsdag vond het Kamerdebat plaats over het ontwerp-Klimaatakkoord, met deelname van premier Rutte, minister Wiebes en (voornamelijk) de fractievoorzitters in de Tweede Kamer. Op 13 maart wordt de doorrekening van PBL en CPB gepresenteerd. Toch werd al volop gediscussieerd over keuzes en maatregelen in het Klimaatakkoord. Voor veel partijen worden drie zaken heel belangrijk om het Klimaatakkoord aan te toetsen: worden de klimaatdoelen gehaald, is het betaalbaar voor huishoudens en (kleine) ondernemers en worden de lasten eerlijk verdeeld (‘de vervuiler betaalt’).

Het belangrijkste twistpunt was de CO2-heffing in de industrie. Verschillende partijen hebben hier voorstellen voor gedaan (GroenLinks, PvdA, SP). Het kabinet wil vooralsnog de effecten van het bonus/malussysteem in de industrie afwachten en wilde er niet aan om te stellen dat de heffing een gelijkwaardige optie is. Wel is er ruimte bij zowel kabinet als coalitie om de doorrekening af te wachten en dan een weging te maken over de effectiviteit van de opties. Met betrekking tot de gebouwde omgeving meldde minister Wiebes dat de komst van een Warmtefonds mogelijkheden biedt om zo dicht mogelijk bij woonlastenneutraal verduurzamen te komen.

Premier Rutte erkende dat de strekking van het Urgenda-vonnis een resultaatverplichting is en het doel is om dat doel te halen. D66 riep het kabinet op om het Urgenda-vonnis als versneller voor het Klimaatakkoord te gebruiken.

Ook werd ingegaan op de stand van zaken omtrent het ophogen van de Europese ambitie naar 55% CO2-reductie in 2030. Zweden en Finland ondersteunen deze doelstelling inmiddels, en meerdere lidstaten hebben de ambitie om de lat hoger te leggen dan het huidige 40%-doel.